Rookgordijnen

Ja! Daar was ie! De glimp. De glimp die niemand ziet. Het was een heel kort moment. Een breuk in de illusie die zijn systeem ons probeert te laten geloven. Soms geeft het leven je net genoeg hoop om alle kracht vanuit je tenen omhoog te sturen naar de toppen van je vingers die zich wanhopig om het randje van de kloof hebben geklemd en uit alle macht proberen vast te houden wat een ander al lang had laten schieten. 

Maar ik zag hem, die glimp. Hij boog voorover omdat wat ik hem nu vertelde, toch wel heel interessant was. En nu houd ik vast met meer hoop dan een ander ooit kan opbrengen. 

Het is alsof ik al een tijdje naar een show van de grote Houdini kijk. Een magistrale illusie van iemand die onder onze ogen verdwijnt. Waar is hij nu? Net zat hij nog, in kettingen gewikkeld, opgesloten in een kooi. Je weet dat het niet kan en toch gebeurd het. Achter alle rookgordijnen, aan de andere kant van het podium waar de illusionist je aandacht van probeert weg te houden, daar gebeurt het. Daar is de echte show te zien. Daar is iemand stiekem aan het werk. Niemand ziet het sleuteltje in zijn mouw verstopt. Niemand ziet de weggewerkte dubbele bodem. Of de levensechte pop die moet suggereren dat er benen afgezaagd worden. Niemand ziet die vrouw die als een slangenmens zich in de kleinste ruimtes weet te frommelen. Niemand ziet het harde werk dat met zo’n productie gemoeid is. Maar ik wel. Ik zag een glimp van metaal glinsteren onder de mouw. Ik zag het luikje dichtvallen. Ik zag dat de benen nep waren en ik weet dat anderen leniger kunnen zijn dan mij. Ik zag het gerommel in de coulissen. 

Zo moet je het ook beschouwen, denk ik. Als een grootse show vol illusies waar jouw hoofd niet bij kan. Het is een prachtig staaltje werk. Je moet je niet bedondert voelen maar aanvaarden dat iets je zo geweldig kan laten geloven in iets. Een ongekend talent om je te laten geloven in iets waarvan je hersens weten dat het onmogelijk is. 

Mijn zoon bezit dat talent. Hij kan je laten geloven dat er voor je ogen een helikopter in het niets lijkt te verdwijnen. Hij houdt je aandacht weg van de plek waar het allemaal gebeurt. Dat doet hij heel kunstig, maar ergens moet geoefend worden. En dat is thuis. 

Ik kreeg een telefoontje een tijdje geleden. Van de fysio. Ze wilde een stapje terug doen. Hij had een te korte concentratieboog en kon zijn aandacht niet bij het schrijven houden dus wilde ze terug naar kleuterniveau. Terug naar het begin dat hij allang niet meer interessant vindt. Continu probeerde hij de aandacht af te leiden. Wat eet jij vanavond? Waar ga je met de vakantie naartoe? Heb jij huisdieren? Hij liet een vragenvuur op haar los. Een rookgordijn dat zijn werk effectief doet. Zij gelooft zijn verhaal en er komt daar geen pennenstreek meer op het papier. 

Zelf gelooft hij zijn eigen illusie nog het meest. Hij is gaan geloven wat anderen vinden dat hij niet kan. 

Ik las ooit een interview met een vrouw die langdurig in hongerstaking was geweest. Het lichaam gaat op een gegeven moment zelfs voedsel weren. Het gaat braken als er plots weer eten in de maag komt. Hervoeding schijnt een langzaam proces te zijn. Zelfs als ze honger had, kon ze niet meer eten. Ze moest zichzelf dwingen om te eten. Gek eigenlijk, dat je lichaam schuwt wat het juist zo hard nodig heeft. 

Mijn zoon staat al jaren op een intellectueel dieet. Dat dieet is overgegaan in een intellectuele hongerstaking. En nu hij sinds jaren weer wat aangeboden krijgt, braakt zijn lichaam die broodnodige intellectuele voedingsstoffen uit.

Dat betekent niet dat we hem niets meer moeten aanbieden. Alleen dat het even duurt voordat zijn systeem die voedingsstoffen weer accepteert. 

Na het telefoontje zaten we op school. Voor een gesprek. Over concentratie, over niveau, over teruggaan naar groep 3 nu hij op de drempel naar groep 4 staat. Maar vooral ook over de illusie waar hij zelf zo in is gaan geloven dat het hem heeft overtuigd dat hij dood beter af is. Dat uithongeren de beste weg is. 

“Thuis schrijft hij gewoon hoor! Iedere dag oefent hij”. Vanaf de overkant van de tafel werd ik vol ongeloof aangekeken. Hoe krijg ik voor elkaar wat niemand lijkt te lukken? Een lachje ontsnapte aan één van de gezichten. Of ik niet op school kan komen. Ja dat kan! Als niemand behalve ik hem over die grens kan helpen om intellectueel weer te gaan eten, dan kan dat. Maar we gaan niet terug! We blijven hier. We blijven waar we zijn, in deze klas, met deze juf en op deze school. Omdat hij hier hoort. Omdat hij dit kan. Omdat hij ondanks de rookgordijnen hier wil zijn. Zijn systeem is alleen te lang zonder geweest, dat het nu schuwt wat het zo hard nodig heeft. 

Ik snap hem wel. Hij leidt de aandacht af, weg van het toneel waar het gebeurd. Waar de frustratie heel groot wordt in een intens brein. Waar de uiting nog grootser is door intense emoties. Want dat is wat voor mij dé indicatie is van een uitzonderlijk hoogbegaafd kind. Die intense beleving. Niet het intellectuele kunnen of de hevige problemen. Alles ligt voor mij in die intense beleving. En die beleving uit zich net zo intens als hij is. 

Iedere dag schrijft hij, huilend en schreeuwend van boosheid. Niet omdat hij moet van mij, maar van hemzelf. Omdat hij weet dat het moet om te leren. Omdat hij het wil leren. Hij haalt zijn gekleurde pennen, zijn dino encyclopedie en zelfs zijn oefenschrift van school en dwingt zichzelf om te eten ondanks het protest van zijn systeem.

Maar nergens voelt hij zich veilig genoeg om die intense gevoelens te uiten. Nergens voelt hij zich veilig genoeg om die grens op te zoeken bij zichzelf, die grens die die intensiteit allemaal oproept. Niemand mag zien dat zijn systeem braakt.

Voor mij is het makkelijker dan de mensen die hem nu moeten helpen. Ik heb iets wat al die kenners, professionals en besluitnemers niet hebben. Ik heb de herinnering aan mijn zoon. Ik heb de herinnering aan een jongen die aandachtig kon luisteren, die aandacht had voor anderen en ze wilde leren kennen. Ik heb de herinnering aan een jongen die uren geconcentreerd kon kijken naar iets. Ik heb de herinnering aan de jongen die ondanks frustraties doorzette. Ik heb de herinnering aan een jongen die omringt was met boeken. Ik heb de herinnering aan een jongen die alles zelf wilde leren. Ik heb de herinnering aan een jongen die was wie hij was en niet een jongen die wilde zijn wat iedereen van hem wilde. Ik heb die glimp. Ik kan voorbij de rookgordijnen,  dubbele bodems en verborgen luikjes kijken omdat ik Houdini ken zoals hij was voor al die illusies. Ik heb die glimp.

Mind the gap!


Mijn dochter is internationaal ingesteld. Daar kwam ik gisterenmiddag achter terwijl de rivier de Lek onder ons door meanderde en ik koers had gezet naar één van de Nederlandse autoslagaders toe. Van schrik keek ik in de achteruitkijkspiegel.

Over Nederlandse woorden struikelt ze continu. Ze spreekt alle woorden maar half uit en gebruikt de verkeerde letters, wat haar onverstaanbaar maakt. Maar Duncan Laurence zingt ze vol overgave mee met haar twee jarige zangkunsten. Nu hebben allebei mijn kinderen een goede muzieksmaak, en zeker voor hun leeftijd, maar zij spant de kroon. Ze drijft weg op de muziek van Adèle, Snow Patrol en James Bay. En ze is dus blijkbaar ook een enorme fan van het songfestival, al hoop ik dat het bij dit ene nummer blijft wat betreft haar songfestivalliefde. 

All I know, all I knowohow! klinkt het vanaf de achterbank en ik draai de muziek een standje harder om haar zangtalent kracht bij te zetten. En ze zingt het ook niet na, schept mijn verbazing, want zodra Duncan de eerste noten op zijn piano pingelt, blèrt ze al uit volle borst het refrein mee.

Het baart me wel zorgen, helemaal het tijdstip dat ze heeft uitgekozen om haar onberispelijke Engelse uitspraak tentoon te stellen. We zijn namelijk onderweg naar huis van een uurtje observatie naar de reden van haar onbegrijpelijke uitspraak.
“Laat maar mama, ik leen me meer voor Engels” lijkt haar verborgen boodschap te zijn, of in haar woorden:” Never mind, mommy, I prefer English!” Of als ze in een ingewikkelde bui is:” Never mind mommy, I tend to lean toward English (en nee papa, het zou niet, I borrow more for English moeten zijn)
It’s safe to say dat wij geen Engels voeren als geheime taal onder ouders om thuis openlijk discussies te voeren over thema’s die te groot of volwassen zijn voor onze kinderen. Ik zou mijn wederhelft met moeite kunnen vertalen en hij verstaat er geen zak van mij. En dan tel ik het feit niet mee dat binnen no time de oudste alles wel ontcijfert aan de hand van de woorden die hij al wel kent.

Misschien staat de taal en regio in haar menu wel gewoon verkeerd ingesteld. Sinds kort is ze ook enorm druk met het uitserveren van denkbeeldige kopjes thee en dat terwijl ze is geboren te midden van een koffiedrinkend gezin. Zelfs de verloskundige had bij haar geboorte een kopje koffie op mijn nachtkastje staan. Al snap ik haar verliefdheid met Engeland wel met zijn diepgaande verankerde tradities, landhuizen in Victoriaanse stijl en standvastig links blijven rijden ook al rijdt de meerderheid van het collectief, waar ze niet langer meer bij willen horen, rechts. Ook zij willen, net als mijn dochter, een eigen identiteit. Soms zit het tegendraadse gewoonweg ingeboren. Trots kan ik melden dat ze dat specifieke aspect van mij heeft. 


Ik geef haar geen ongelijk hoor. Met Engels kom je veel verder dan met Nederlands als je graag over de grens denkt. 765 miljoen mensen spreken Engels. Blijkbaar heeft ze niet genoeg aan de 24 miljoen mensen die verspreid over tenminste 6 landen Nederlands spreken. Het allerbeste kan ze overigens beter Mandarijns gaan praten, dan heeft ze 1026 miljoen mensen om mee te praten. En hoeft ze niet naar ons te luisteren want dat spreek ik ook niet. Met Engels daarentegen kan ik me aardig redden.

Bijkomend voordeel is dat ze ook regelmatig haar vader erin kan luizen, want er lijkt nu al een gat te bestaan tussen haar kennis van het Engels en de zijne. Zijn Engels klinkt meer als steenkolen Duits. Volgens mij verstaat hij zichzelf ook niet als hij Engels praat. Ik lig nu al in een deuk om de gesprekken waarin hij onbedoeld iets belooft zonder het zelf door te hebben, verloren weddenschappen die verkeerd begrepen waren en vrees de ruzies waarbij ik als onwillige vertaler ten tonele moet verschijnen. “Wat zegt ze nu weer allemaal schat!?”

Misschien is het allemaal maar wishful thinking van me, met haar talenknobbel voor uitsluitend Engelse taal, maar stel nu dat ze Engels echt veel sneller onder de knie heeft dan Nederlands, dan snap ik dat volkomen. Ik gun haar de wereld.

Moraalridders


Hij komt aangeklost met piepende scharnieren en metaal dat tegen elkaar aantikt bij iedere stap. Het zonlicht weerkaatst fel van zijn borst en ik knijp mijn ogen dicht. Die zijn niet bestand tegen de scherpte van deze weerspiegeling. 

Zijn hand rust nu nog ontspannen op het heft van zijn enorme zwaard maar ik weet dat hij deze binnenkort uit zijn schede schuift en ten aanval trekt. Zijn idealen wapperen hoog in het vaandel mee op de wind. 

Door de spleten van zijn vizier zie ik nog net een schimp van zijn helder blauwe ogen. Hij heeft ze toegeknepen en ze gaan van links naar rechts in zijn oogkassen alsof hij de horizon afspeurt op zoek naar onrecht. Hij is uitgedost in zijn mooiste harnas. Hij is klaar voor de strijd. My Knight in shining Armour. Niemand ziet zijn glanzende harnas behalve ik. 

Niet veel later betreedt hij het strijdtoneel. Met zijn vinger belerend in de lucht gestoken als een getrokken zwaard. 

Hij beseft nog niet dat hij dat allemaal niet nodig heeft. Geen zwaard en ook geen harnas.

Enkel zijn gedrag en kalme woorden kunnen zo’n hevige strijd winnen die woedt op de veldslagen die hij uitkiest. Vaker win je glansrijker door gewoon niet mee te vechten. Met weglopen en een simpele opmerking als:” dit vind ik geen leuk spelletje, ik doe niet mee” verlies je geen gezicht maar ontwapen jij je vijand net zo goed. Ook dat is op het scherpst van de snede, al komt geen zwaard of harnas aan te pas. 

Ik denk dan aan Rosa Parks die gewoon bleef zitten waar ze zat. Ze had geen zwaard of pistool. Ze koos ervoor om niet mee te spelen. Maar nu nog, als we denken aan gelijkheid in America voor iedereen, dan denken we aan haar en haar zetel in een bus. Haar actie leidde tot een boycot tegen de busmaatschappij die blank en donker apart hield en het leidde uiteindelijk tot meer gelijkheid. Al geef ik toe dat die strijd met meer uitgevochten werd dan alleen een woord. Het werd niet beter gezegd dan door Levi Jackson in de film Hidden Figures: Civil rights ain’t always civil.

Maar hoe zorg je dat hij zelf leert dat hij niet ieder conflict op zijn glimmend gepantserde schouders hoeft te torsen. Zonder dat hij in elkaar geslagen wordt. Zonder dat hij vermeden wordt in het spel van anderen omdat niemand zit te wachten op een klikspaan, ook al heeft hij de beste intenties. En zonder dat hij de schuldige lijkt omdat zijn rechtvaardigheid diep gaat en altijd kiest voor degene die gelijk heeft en niet degene die het sterkst is. Hoe doe je dat als moeder? 

En hoe zit het met mijn moraal in dit verhaal? Vind ik het niet gewoon moeilijker dan de rest om mijn moraalridder afgeslacht te zien worden tijdens zijn nobele strijd omdat de moraalridder in mij boven komt drijven? Denken andere moeders hier misschien makkelijker over? Aanvaarden ze dat het niet altijd eerlijk gaat onder kinderen? Ik hoor mijn man al antwoorden op mijn inmenging:” Dat moet hij ook leren. Hij hoeft zich niet overal mee te bemoeien en soms kom je de verkeerde tegen”. Helemaal waar en dat kan hij beter jong leren. Maar toch….

Ligt mijn moraal misschien ook niet gewoon veel hoger en ben ik het stiekem met hem eens? Kneep ik mijn ogen dicht voor mijn eigen weerspiegeling dat in zijn harnas te zien was?

Ik zie ook wel dat de oudere jongens dat ene kleine jongetje keer op keer duwen en ook mij doet dat pijn. Ik zie wat hij ziet, ik voel wat hij voelt. Maar misschien ligt het verschil in onze reactie op een ander vlak.

Misschien ben ik ook wel gewoon een beetje jaloers. Jaloers op het feit dat hij durft te zeggen wat hij vindt. Jaloers dat hij wel het zwaard trekt, waar ik wijselijk mijn mond houd en de verantwoordelijkheid bij de ouders probeer te laten die hier ook rondlopen maar het drukker hebben met andere dingen dan hun zoons die met zijn tweeën wel even een klein jongetje aandurven. 

Voor nu trek ik hem uit zijn strijd, hoe leerzaam hij ook mag zijn voor alle partijen, want mijn hart kan het niet meer aan nu hij degene is die ontwapend onderop ligt in een strijd die niet de zijne is. Dit hoeft niemand mijn kind aan te doen. Misschien heb ik inmiddels ook mijn harnas aan en mijn zwaard getrokken. Ik schuif met een krachtige zwaai mijn vizier voor mijn ogen en hijs daarna mijn idealen hoger mijn vaandel in. 

“We zijn aan het stoeien mama” klinkt het weerwoord. 

“Weet jij het verschil tussen stoeien en vechten, kleine man?” Twee blauwe ogen slaan neer en geven mij mijn antwoord.

“Bij stoeien heeft iedereen er plezier in. Dan lacht iedereen en stopt als iemand stop roept. Ook dan kan iemand je pijn doen, maar dan is dat per ongeluk. Dat deed je daarstraks ook met dat kleinere jongetje, stoeien. En toen je viel, vroeg hij of alles wel goed met je ging. Toen waren jullie aan het stoeien. Nu zie ik jou niet meer lachen en er wordt ook niet gestopt als jij vraagt om te stoppen en daarom stop ik het. Jij dacht misschien dat jullie nog aan het stoeien waren maar de jongen die bovenop jou zat is aan het vechten gegaan met jou”

Ik heb er altijd voor gekozen om mijn protest te laten gelden door niet mee te doen in plaats van een gevecht aan te gaan. Ik trek niet zo snel mijn zwaard en laat me nog regelmatig neersabelen. Ik doe gewoon niet mee aan het slagveld en weet mijn eigen wonden te helen. Zo hoef ik niet rond te klossen met een glimmend harnas, dat mijn beweging hindert en een zwaar en log zwaard. 

Ik hoop dat ik hem die kunst kan leren. En als hij mij dan leert hoe ik toch af en toe mijn zwaard kan hanteren, kunnen we misschien allebei af met een maliënkolder. Een beschermlaag waar nog ruimte tussen zit. Wat niet zo zwaar weegt. Waar je nog doorheen kunt kijken, zoals je doet als je iets door de vingers ziet. Zodat je nog kunt zien wanneer je weg moet lopen of ten strijden moet trekken. 

Ach, stil protest, hevig gevecht of ongelijke strijd, er is altijd een winnaar. Ook als die het niet verdient. 

Slingers

Hij komt gillend binnenstormen. Zijn kleine zusje, die zich op de rand van haar bed probeert aan te kleden, en ik schrikken op. Zijn haar zit in de war en hij zwaait met zijn armen wild boven zijn hoofd. Het enthousiasme neemt de overhand en leidt nu zijn impulsen. Dat snap ik wel maar moet dit met zoveel herrie op de vroege ochtend? En moet hij mij daarbij raken met één van die wilde ledematen, die als spastische tentakels van een octopus op speed onwillekeurig alle kanten opvliegen? 

“Kom jij eens even hier zitten. Ik wil even met je praten.” roep ik misschien iets te streng tegen hem. Gedwee gaat hij zitten. De lach is ineens van zijn gelaat vervaagd. 

“Luister! Je hebt nog maar één kans. Je krijgt nog maar één poging en dan is het voorbij. Dit is echt je laatste kans!” Ik leg het er expres dik bovenop zodat het goed tot hem doordringt. Aan zijn reactie zie ik dat hij zijn acteertalenten misschien niet van een vreemde heeft, want hij gaat helemaal mee in mijn norse houding. 

“Je bent nog maar één dagje 4. Morgen ben je ineens 5 en dan kun je niet meer terug. Dan wordt je nooit meer 4 meer. Dan is het 4 jaar zijn voorbij. Dus maak van vandaag een mooie vierjarige dag, het is je laatste!”

Aan zijn blik te zien heeft hij het door. Zijn mond krult zich weer in een lach en zijn ogen krijgen weer een glinstering in die toch al stralende blauwe ogen. Hij noemt een reeks plannen die we vandaag allemaal zouden kunnen gaan doen in het kader ‘nog 1 dag 4’. Ik leg hem uit dat ik het vandaag best een beetje druk heb. Met taarten bakken, boodschappen doen, ballonnen opblazen en slingers ophangen. 

Iedere verjaardag weer, probeer ik de dagen, weken en maanden erna, de slingers ongemerkt te laten hangen in de hoop dat ze het overleven tot de volgende jarige. Tot nu toe steeds zonder succes. “Waarom hangen hier de slingers nog, er is toch niemand jarig?” klonk het vorig jaar eens uit de keuken. Mijn nichtje keek maar vreemd van mij naar de slingers en terug.

“Omdat het hier altijd een feestje is”, rolde er uit mijn mond in een poging de slingers nog wat respijt te geven. 

Dat ik eigenlijk een beetje te lui ben om de trap op te duikelen uit de schuur of over een paar maanden weer stuntelend op de trap angstaanjagende capriolen uit te halen, zei ik er maar niet bij. 

Toch lieg ik niet. Tenminste, niet helemaal, want ik moet toegeven, ik ben soms best een beetje lui. Al noem ik het liever efficiënt energieverbruik. 

Hier is het ook wel eens hommeles. Misschien wel meer dan in een huis zonder permanente feestversiering. 

Het gaat er in ons huis soms heftig aan toe. Zo heftig dat zelfs mijn onverstoorbare rots in de branding weleens veranderd van een slapende reus in een actieve vulkaan die dreigt uit te barsten. 

Op een gekke manier ben ik dan even een klein beetje jaloers op mijn kroost want ik krijg hun vader nooit tot uitbarsten. Zij kennelijk wel en dat getuigd in mijn ogen van een hele hoop liefde. Iets meer liefde dan hij voor mij heeft, wat me dan ook weer geruststelt. 

Om die uitbarstingen bij alle partijen op een acceptabel niveau te houden, moet er een hoop gebeuren. 

Activiteiten hier, gelijkgestemde daar en begrip van thuis.  Schoolwissels, speltherapie en onderwijsaanpassingen. Allemaal om vooral de oudste, onze zoon, de wereld in het juiste perspectief te laten zien. Want hij loopt rond in een buitenwereld die anders is dan zijn innerlijke wereld. Die anders is dan de wereld thuis. Een wereld die hem niet altijd begrijpt en een wereld die hij ook nog niet altijd begrijpt. 

En dan kijk ik naar de mensen om me heen. Mensen die met hun kinderen gewoon Jip en janneke lezen in plaats van encyclopedieën. Kinderen die zich niet afvragen waarom ze anders zijn. Kinderen die in de speeltuin op de hoek gelijkgestemde vinden. Kinderen die niet overwegen om geen vis meer te eten omdat de manier waarop we vis vangen tegenwoordig zo misdadig is dat het in zijn hoofd niet meer recht te breien is. Kinderen die gewoon blij zijn dat er een toetje is na het eten, ongeacht welk toetje en niet rigoureus rechtsomkeer maken als blijkt dat het toetje wat zij wilden, die ene met de juiste smarties, er niet is en alle andere toetjes weigert. 

Andere kinderen komen daar ook. Andere kinderen gaan zich ook weleens anders voelen, krijgen interesse in naslagwerken, worden vegetariër of vinden vrienden niet meer in hun klas. Maar dat is meestal niet al op vierjarige leeftijd. 

Ik ben blij dat mijn 4 jarige zoon een duidelijke mening heeft ook al moet ik daardoor wat vaker onderhandelen. En kom ik niet altijd ongeschonden door die onderhandelingen heen. 

Ik ben blij dat hij lekker eigenwijs is. Ook al moet ik mijn halve leven opofferen om zelf maar te achterhalen wat zijn didactische niveau is omdat niemand dat te weten lijkt te komen. 

“Het leven is een feestje maar je moet zelf de slingers ophangen” hoor ik mensen vaak zeggen. Maar in mijn huis hangt niemand zijn eigen slingers op. Wij hangen de slingers voor jullie op. Ik decoreer het huis wel ook al bestaan de slingers soms uit uitdagende activiteiten, boeken op niveau, gelijkgestemde, onderwijsaanpassingen, IQ testen en schoolwissels. Maar ook met slingers van mensen die je niet snappen, mensen die je bijzonder of raar vinden, met verveling, middagen geestdodende tekenfilms kijken en een iets te makkelijke toets waar je niet voor hoeft te leren. 

Van tijd tot tijd zul je een keer een kater krijgen. Of het nu is omdat je te hard hebt gefeest of omdat het feestje wat te saai was voor je. Dan hou ik de emmer vast waarin jij alle narigheid uitkotst. Dan zet ik de warme douche aan. 

Jullie hoeven je eigen slingers niet op te hangen, welke slinger dan ook, maar maak er zelf wel een verdomd leuk feestje van, dan laat ik ze lekker hangen.

Walvisgezang

“Wil je mijn bultrug gaan halen?” Hij ligt in bad, zijn vader is bij hem. Volgens hem ligt de bultrug boven. Heel even schiet het beeld van een enorm zoogdier, de Megaptera novaeangliae, dat onmogelijk in zijn kamer past, door mijn hoofd.

Een plaatje van een bultrug duikt op in mijn gedachten met daaronder een stippellijn en de afmeting van het enorme dier eronder. Daarnaast een blauwdruk van ons huis met de afmetingen van zijn slaapkamer in dikke zwarte cijfers. Dat past nooit. Ik zie zijn staartvin al door het Velux dakraam steken en zijn zijvinnen door het zijraam en zijn kamerdeur. De dakpannen moeten haast wel in een bolling op het dak liggen, want zijn hele lijf vult de kamer en lijkt door de voegen tussen de bakstenen uit te barsten. Zijn grote baleinen zuigen het stof op uit de kledingkast als was het plankton of krill en zijn prachtige walvisgezang vult de hele bovenverdieping. Zachtjes deint zijn gigantische kop heen en weer en af en toe blaast hij een fontein onzichtbaar water naar buiten door zijn spuitgat, of spiraculum zoals het Latijns alles zoveel wetenschappelijker maakt. Zouden we een schoorsteen hebben dan zou de fontein daaruit spuiten en de hele straat beregenen. Het water druppelt uit de strengen nat haar op mijn hoofd die toch droog zijn. Een haast surrealistisch tafereel waar Salvador Dalì jaloers op zou zijn, enkel en alleen in mijn hoofd.

“Weet je het zeker?” vraag ik voordat ik een nutteloze trip naar boven maak, naar een ruimte gevuld met walvis. Ik vraag me af hoe een bultrug aanvoelt en zie voor me hoe ik de trap oploop en walvisblubber tegemoet kom. Is zijn huid zacht? Of juist ruw door alle zeepokken die hij heeft meegenomen op zijn jarenlange reizen door de oceanen van de wereld. Voelt het koud en nat? Of juist warm? Zakt mijn hand weg in die dikke vetlaag die zijn lichaam warm moet houden als hij op doorreis is door de koude wateren van de antarctische gebieden.

Boven vind ik zijn mini-versie van de bultrug, die met gemak in mijn hand past, precies waar hij zei dat ie zou liggen. Deze voelt koud en hard aan met zijn lijf van plastic. Deze blijft ook met gemak drijven waar zijn rolmodel meters diep kan duiken om alle kleine visjes uit het water te filteren.

Ik hou heel veel van hem hoor, maar meestal is hij wel een verstrooide professor die de sokken die voor hem op de grond liggen nog niet eens weet te vinden. Als ik hem een uur later naar boven stuur om het pennenblik te gaan halen wat op clandestiene wijze in zijn kamer is beland, duurt het een kwartier en twee keer teruggaan om die te vinden. Hij lag naast de bultrug waarvan hij wel de exacte locatie wist.

Nee, dan kun je beter mijn dochter hebben. Die weet precies waar alles ligt, ook al heeft ze het al drie weken niet in haar zicht gehad. Die weet haar sokken nog wel onderin een kast te vinden, weggestopt onder een stapeltje te klein geworden kleren die al een half jaar niet meer passen.

Dagelijks drijft hij ons haast tot wanhoop terwijl we staan te wachten tot hij heeft gevonden wat hij blijkbaar niet wil vinden. Want wat hij wel wil vinden, vindt kennelijk met het grootste gemak een plek in zijn geheugen. Wat nou verstrooide professor? Hoe zou het geheugen van de bultrug zijn? Raakt die haar kalf misschien stiekem regelmatig kwijt, maar vindt dat kalf haar met gemak terug omdat zij de voedselbron is met haar moedermelk? Diezelfde bultrug weet ook perfect te onthouden waar ze naartoe moeten zwemmen om voedsel te vinden of te paren. Maar die hoeft zich ook geen zorgen te maken over onbenullige sokken.

Je onthoudt wat belangrijk is voor jou, dat is wat ze altijd zeggen. En ja, sokken zijn evolutionair gezien niet heel erg belangrijk. Een plastic speelgoedwalvis ook niet. Maar voor een kind natuurlijk wel! Voor een kind is spelen van levensbelang, de manier om vaardigheden te leren die je helpen te overleven in je latere leven. Spelen moet! Spelen met poppen of auto’s, spelen met vriendjes, spelen met verschillende rollen zoals vader en moedertje spelen, spelen met letters en cijfers, spelen met stokken, water, stenen en zand, spelletjes spelen, spelen met muziek, spelen met blokken of lego, spelen met……. 

Toen mijn zoon niet meer speelde, begon ik me zorgen te maken. Ik dacht ook gelijk aan het spelen wat ik niet heb gedaan. Ook daar maak ik me zorgen over. Heb ik dingen niet geleerd omdat ik niet speelde? Is er iets mis met mij omdat ik niet speelde. Wat was de reden dat ik niet speelde? Of heb ik juist heel veel gespeeld, alleen niet op de manier zoals anderen spelen. Ik speelde niet met poppen of auto’s, ik speelde niet met Lego en ook niet veel met vriendinnetjes. Ik speelde wel hele fantasieën uit in mijn hoofd terwijl ik naar muziek luisterde.

En nog! Dit verhaal typ ik terwijl ik naar Back in the water van Heav’n luister. Ineens een erg toepasselijk lied voor deze tekst. Dit verhaal is echt gebeurd hoor, van de kleine speelgoedwalvis tot het totaal niet spelen, maak je geen zorgen. Ik pen geen onwaarheden neer. Op de echte walvis na dan, dat is echt een figment of my imagination. Die lag niet echt levensgroot boven uit te drogen in de slaapkamer van mijn zoon, maar wel in mijn hoofd. En de speelgoedwalvis lag geheel tegen mijn verwachtingen in ook echt boven. Ik speel met gedachtes, ik speel met woorden, ik speel met muziek. Ik speel nog steeds, iedere dag.

https://open.spotify.com/track/5Xz9WrpVFnC25ieJd9hV89?si=uO-Dj6sTRNSAaiJSRtt0Og