Gendergemixt

Maar als hij die niet kan vinden, vindt je blauw dan ook mooi?’

‘Nee’

‘Of misschien rood?’

‘Nee, joze’

‘Ik denk dat ze niet in roze gemaakt worden hoor, schat. Heb geen andere kleur na roze, die je mooi vindt?’

‘Neehee, joze!’

Oké, duidelijk! Standvastig, tot op het bot. Dat is ze. Ik zou zelf ook geen genoegen nemen met iets wat ik niet wil. 

Ik heb haar de situatie geprobeerd uit te leggen, maar ze blijft bij haar standpunt. Snappen doet ze het best, maar volgens mij vat ze het meer op als discriminatie. Discriminatie op voorkeur voor kleur, want waarom worden ze in alle kleuren gemaakt behalve haar lievelingskleur roze?

‘Als je nu een jaartje wacht, dan kan Sinterklaas het misschien makkelijker vinden’. Ik stuur mijn pleidooi over een wat meer disputabele boeg die open staat voor discussie. Want wie weet hoe speelgoed er volgend jaar uit gaat zien nu er sprake is van genderneutraalheid onder ons speelgoed. Worden vrachtwagens dan roze? Wat in mijn ogen dan niet echt erg neutraal is, eerder gendergemixt. 

Of wordt roze en blauw dan juist gemeden als de pest? Wat mij dan meer neigt naar genderdiscriminatie. 

Mogen vrachtwagens dan ineens niet meer, of poppen? Of moeten jongens dan verplicht aan de poppen en meisjes aan de auto’s? Dat zou voor mijn dochter geen straf zijn, maar mijn zoon zou zijn hakken in het zand zetten. Niet dat hij niet met poppen wil spelen. Hij loopt regelmatig door het huis te rennen met de roze poppenwagen van zijn kleine zusje. Het dwingende achter de verplichting maakt dat hij zou weigeren. Uit principe zou hij dan zelfs zijn geliefde dino’s links laten liggen als hij zich geconfronteerd zou zien met een verplichting tot spelen met. 

Nee, gekheid natuurlijk, maar hoe ziet minister van Engelshoven dat genderneutraal speelgoed dan voor zich als het niet meer rolbevestigend mag zijn of als roze of blauw niet meer mogen? Ik neem aan dat als er een grote vraag was naar roze vrachtwagens, ik niet zou hoeven onderhandelen met mijn dochter over een eventuele andere kleur en er nu niet een geïmproviseerde mini spuiterij in de schuur zou zijn opgebouwd met een gedemonteerde autotransportvrachtwagen in de verschillende stadia van een kleurverandering. 

Resoluut gooit ze haar hoofd de andere kijkrichting op. Nee, ook een jaartje wachten krijg ik er niet doorheen en zo hoort het ook. 

Als je drie jaar oud bent, van alles met wielen en van roze houdt, dan moet alles gewoon in het roze. Dus ook de vrachtauto die je aan Sinterklaas vraagt. Want een driejarige kijkt niet naar gendergelijkheid of rolbevestiging. Die ziet een vrachtwagen op de snelweg rijden in haar favoriete kleur en wil die ook hebben. In haar favoriete kleur. 

Zij kijkt niet naar de jaarlijkse omzetcijfers op de verkoop van roze vrachtauto’s. En ook niet of ik dan plaatsvervangende schaamte zou voelen of niet als zij vol trots haar roze vrachtwagen aan iedereen laat zien. Ze kijkt niet naar andere meisjes die niets hebben met rijdende voertuigen. Of dat jongens niet van roze houden. Zij kijkt naar haar wensen. En boven aan dat lijstje staat: nou ja, je raadt het vast wel! 

En ze heeft een goed punt hoor. Waarom zijn er geen roze vrachtwagens te koop? Zijn er echt geen andere meisjes op de wereld die roze als lievelingskleur hebben en ook van vrachtwagens houden? Of houden ouders dit inderdaad massaal tegen om gezichtsverlies tegen te gaan? Moet er echt een wet komen die oproept tot genderneutraal speelgoed? 

Wat is er mis met een jongen die van blauw houdt en een meisje dat graag met popen speelt? Toch net zo min iets als meiden die van vrachtwagens houden of jongens die graag op balletles gaan? 

Ik schaar mezelf liever onder de noemer gendergemixt. Ik hou al sinds jaar en dag van blauw en wilde al van kleins af aan niets met bloementjesprints te maken hebben. En toch was ik ook een verstokt paardenmeisje. 

Mijn zoon kreeg een speelkeuken toen hij twee was en heeft puur per toeval een roze zwemtas. En mijn dochter houdt van auto’s en vrachtwagens. Samen met roze prinsessenjurken en eenhoorns. En af en toe loopt ze de huiskamer rond met haar roze poppenwagen waarin een Tyrannosaurus Rex vredig ligt te slapen. Gendergemixt, maar toch niet echt genderneutraal. 

Ik heb liever dat het dan maar optioneel gehouden moet worden, waarbij de desbetreffende vrachtwagen licht geschuurd en in de grondverf aangeleverd dient te worden met daarbij een link naar nog nader te bestellen verf in alle kleuren van de regenboog. Want nu is het een hele puzzel om zo’n speelgoedvrachtwagen vakkundig te demonteren, de blauwe verflaag te verwijderen en een manier te vinden waarop verf blijft zitten op een plastic ondergrond zonder dat hij afbladdert. Daar ben ik inmiddels wel achter. 

Ik heb er gelukkig wel doorheen gekregen dat het een miniatuur mag zijn, maar alleen omdat een lifesize formaat niet in ons huis past, dat ziet ze zelf ook wel in. 

Op de gevoelige plaat

Voor het eerst was dit een pijnlijk moment. En ik doe dit toch iedere dag. Een normale en alledaagse handeling die ineens heel beladen was geworden. 

Het was geen lichamelijke pijn of zo. Het was niet alsof ik met mijn handen door een doornstruik woelde toen ik mijn, met gel bedekte, handen door zijn haar haalde. Zijn haren waren zelfs heerlijk zacht omdat hij ze de avond ervoor nog had gewassen. Straks, als de gel hard was geworden, dan zouden de stekels weleens echt puntig kunnen zijn. 

Nee, dit was zielenpijn. Het had niets te maken met de handeling zelf, maar alles met de bedoeling achter de handeling. Nog nooit was dit namelijk om deze reden gebeurd. Ik heb nog nooit zijn haar netjes in de plooi gebracht voor de schoolfotograaf. Hij heeft nog nooit voor de schoolfotograaf voor de kast gestaan om zijn mooiste kleren uit te zoeken. Hij heeft nog nooit lang genoeg op school gezeten om op de schoolfoto’s te komen. 

De laatste en enige foto’s die buiten ons om zijn genomen waren die op de peuterspeelzaal. Het waren mooie foto’s. Maar alleen de portretfoto. Daar stond hij nog enigszins lachend op. De groepsfoto ligt ergens onder in een bewaardoos. Dat is een erg typerende foto en roept meer op dan ik wil voelen. Daarop staat hij een eindje van de groep af, er helemaal buiten. Een eenling, precies zoals hij zich voelde. Eenzaam temidden van de massa. 

Daarna kwamen de aanpassingen. Er kwamen schoolwissels. Er kwam hulp en hulp die niet hielp. Er kwamen oplossingen en oplossingen die de problemen verergerde. Er gebeurde veel, heel veel en allemaal niet foto-waardig. 

Na die eerste foto is er geen tweede meer gekomen. Niet op de peuterspeelzaal en niet op school. Waar een gemiddelde moeder nu 6 foto’s rijker is, misschien zelfs wel 7, heb ik er maar 1. Maar ik zal nooit evenveel schoolfoto’s verzamelen als mijn medemoeders. Wat dat betreft zal ik altijd achterlopen door een voorsprong. 

Maar vandaag maak ik een inhaalslag. Vandaag gaat hij voor het eerst sinds 3 jaar weer op de foto op school. 

Terwijl ik me eigenlijk bezig moet houden met het feit dat hij geen appelstroop op zijn blouse knoeit of tandpasta in zijn mondhoeken heeft zitten, wrijf ik mijn handen door zijn haar met maar één gedachte. Zal hij vandaag wel tussen de groep staan? Of houdt hij bewust ruimte tussen hem en de rest? Gaat hij achteraan staan in de hoop weg te kunnen duiken achter het kind voor hem? 

Iemand die hem niet kent denkt nu vast dat hij misschien er gewoon niet de jongen naar is om op de foto te willen. Maar ik ken hem wel en weet dat hier thuis de camera door hem niet geschuwd wordt. Zodra ik een foto van onze andere gezinsleden wil nemen, duikt zijn koppie erachter op om zich er zo ook tussen te wurmen. Om te laten zien dat hij er ook bij hoort. Zodra zijn zus iets doet wat ik wil vastleggen komt van hem de vraag: mag ik er ook bij op de foto? Dus nee, hij schuwt de camera niet. 

En vandaag? Is het vandaag belangrijk voor hem om erbij te willen horen of schuwt hij de camera? Dat is een antwoord waar ik reuze benieuwd naar ben. Is dit zijn plek, is dit zijn posse? Wil hij hierbij horen?

Het klinkt allemaal heel onnozel, onbenullig en futiel, maar eigenlijk is het de essentie van zijn problematiek. Als hij zich erbij vindt horen, dan pas zal hij zich laten zien om zich vervolgens gezien te voelen. Pas dan durft hij stappen te ondernemen om zich weer te gaan ontwikkelen. 

Ik lees de laatste dagen veel berichten van kinderen die ook niet op de juiste school zaten en nu op een nieuwe school beginnen. Ze komen vrolijk uit school en gaan er de volgende dag weer enthousiast naartoe want deze nieuwe school is beter voor hen dan de vorige. Maar bij ons gaat het anders. 

Hij gaat, en dat is al heel wat. Als ik hem stiekem door het raam heen in de klas zie zitten, doet hij leuk mee. En hij gaf zowaar schoorvoetend toe dat hij best wel naar school wilde maandag. Maar van enige ontwikkeling zie ik nog niets. Ik zie alleen nog maar een inhaalslag. Een inhaalslag om terug te krijgen wat hij kwijt is geraakt, als hij ooit alles terug krijgt wat hij is verloren. Hij vindt de boekenwurm weer in zichzelf en vindt het sociale dier in hem terug. De beschadiging vindt hij ook terug en wordt daardoor steeds zichtbaarder. Vanuit mijn ervaring met hem, zal ik nooit iemand zomaar adviseren om van school te wisselen. Wat voor heel veel kinderen werkt, werkt niet voor iedereen. Je kunt mensen nu eenmaal niet over één kam scheren. 

Het oordeel van de professionals die hem nu bijstaan werd voorzichtig gebracht: ‘hij heeft veel meegemaakt’ alsof deze waarheid nog meer schade brengt nu hij uitgesproken wordt. Maar als ik zo mijn handen door zijn haar haal, denk ik ‘wij ook’. 

Rotsvast

De ruimte om mij heen draaide hard rond. Wat een draaikolk leek kon me elk moment mee naar beneden sleuren. Het gekke was alleen, dat de grond nooit boven leek te komen en het plafond nooit onder mijn voeten terecht kwam. Als een langspeelplaat die steeds weer in de vorige groef terugviel en zich zo resette naar een gefixeerd punt in tijd. Ik bedacht me meteen dat de bedenker van de attractie Villa Volta een soortgelijke buiten-lichamelijke ervaring moest hebben gehad voorafgaande aan het bedenken van het ronddraaiende huis. Ik heb de attractie nooit erg gewaardeerd en nu ik eigenhandig in mijn privé-villa rondtolde steeg die waardering ook niet erg

Het leek haast wel een psychedelisch trip die de verkeerde kant op ging. Zo stel ik het me voor. Ik weet helemaal niet hoe een bad trip voelt. Ik heb me nog nooit gewaagd aan geestverruimende middelen. Ik vond mijn geest altijd al ruim genoeg. Maar nu voelde ik me als een hippie op Woodstock die een slechte partij LSD had genomen. Als je deze ervaring meteen al had bij het eerste gebruik van welke drug dan ook, weet ik zeker dat er niemand ooit verslaafd aan werd. 

Maar ik had niets genomen. Ik ben geen junk en ook geen eenmalig gebruiker. Het enige wat ik genuttigd had was een kop koffie en een boterham en beide heeft me nog nooit naar zulke sferen gebracht. 

Het begon al bij het opstaan. Toen was mijn wereld nog wel normaal, maar mijn dagelijkse wandeling liet ik achterwege. Op een of andere vage reden die ik zelf ook niet wist, had ik hier geen zin in. Nadat mijn man naar zijn werk was vertrokken begon het. Ik voelde me flauw en draaierig. Misschien gewoon een lage bloedsuikerspiegel of zo, dacht ik en ik besloot een boterham te eten. 

De langzame koolhydraten of wat het dan ook was wat mij energie moest geven, sloegen niet aan. In ieder geval niet voordat ik naar boven moest strompelen om mijn kinderen wakker te maken. Ik begon aan wat een eindeloze klim naar boven leek. Daar aangekomen begon alles alleen maar harder te tollen. Ik ging in mijn dochters slaapkamer op een stoel zitten in de hoop dat het huis stil ging staan. 

Mijn eigenwijze huis luisterde echter niet naar mijn verzoek. Ik stond op, wankelde twee stappen en liet me tegen de deurpost aan vallen. 

Er was serieus iets mis. Ik had een beroerte of een hartaanval of zo. Wat het ook was, het was mis. 

Mijn lichaam reageerde direct op al dat rondtollen terwijl mijn as gewoon stil bleef staan. Mijn huid voelde klam aan en uit alle poriën van mijn lijf gutste het zoute zweet. Ergens ver weg hoorde ik mijn dochter mopperen. Ze zat in een fashioncrisis en wist zich geen raad met de huidige inhoud van haar kledingkast. Juist op deze dwaze ochtend wist ze niet wat ze aan moest trekken. Waarom voelen kinderen altijd perfect aan wanneer ze eigenlijk beter een beetje meegaand kunnen zijn om dan vervolgens het tegengestelde te gaan doen? Het zal de spanning wel zijn. 

Ondertussen moest ik naar beneden zien te komen, naar mijn telefoon. Ik moest iemand zien te bereiken, wie dan ook. Ik stond boven aan het trapgat alsof ik Alice in wonderland was en op het punt stond om down the rabbit hole te gaan. Hoe ik het flikte om heelhuids beneden te komen weet ik niet, maar het was me gelukt. Ik belde het eerste nummer wat in mijn oproepenlijst stond, mijn man. 

‘Het gaat niet goed met mij, ik moet nu naar een dokter!’ mompelde ik zodra ik zijn stem hoorde. ‘Bel dan de huisartsenpost, ik kom naar huis’ hoorde ik in de verte. Ik was allang blij dat ik hem had weten te bellen. Ik zag alles draaien, de letters en cijfers op mijn beeldscherm hupten steeds weer naar een andere plek in mijn gezichtsveld. Op goed geluk wist ik het nummer van mijn moeder te vinden. Binnen een paar minuten stond ze bij me en belde de dokter. Intussen kwam mijn maaginhoud er weer uit. 

Gek genoeg knapte ik ervan op. Ik stuurde mijn moeder met mijn kinderen naar school en liep naar de dokter. Zoals altijd bij mij, ging het bij de dokter zelf alweer een stukje beter. Wanneer ik besluit naar de dokter te gaan, knap ik spontaan op. Maar dat duurde niet lang en voordat de dokter goed en wel zijn dag begonnen was, sloot hij bij mij al een beroerte, hartproblemen en een plotselinge aanval van hypoglykemie uit.  

Nee, niets van dat al, gelukkig. De draaiduizeligheid en het braken waren afkomstig van mijn altijd al dwarse evenwichtsorgaan, mijn vestibulair systeem. Het systeem wat ritten in een auto tot een hel had gemaakt, mijn hele jeugd door. Het hele systeem lag nu onder vuur. Een plotselinge aanval door krachten die voor iedereen nog onbekend zijn. Er was een storing in dat kleine orgaantje die mij nu, voor misschien nog wel uren, in mijn eigen Villa Volta liet rondtollen. Vestibulaire migraine noemde hij het. 

Natuurlijk! Als er migraine bijstaat, heb ik het! Klassieke migraine, hele erge migraine, menstruale migraine, aura migraine, oogmigraine en nu dus ook vestibulaire migraine. Misschien kan ik maar beter aan de geestverruimende middelen gaan. Dan kan ik zelf kiezen wanneer ik een bad trip heb. 

Trouwe viervoeter

Ze kwam op ons aflopen, een klein zwart stuiterend bolletje energie. Een dun touwtje om haar hals onderscheidde haar van de rest. 

“Dit is de enige nog die over is” en we keken neer op alle identieke zwarte bolletjes energie. Geen van alle kwam naar ons toe maar zij kwam keer op keer terug. “Dat is dan de onze” hoorde ik mijn stem zeggen. 

Iets langer dan een andere pup was ze bij haar moeder gebleven en alleen in het weekend ging ze even mee bij wijze van proef. Misschien was ze daarom zo’n bijzonder lieve hond, omdat ze nog even bij haar mama mocht blijven en heel voorzichtig aan haar nieuwe leven mocht wennen. 

Zodra we de sleutel staken in het slot van ons eerste eigen huis werd haar mand op een prominente plek in huis gelegd. Ze kon de hele onderverdieping overzien. Ze overzag heel ons leven vanaf die plek. 

Ze zag ons opgehaald worden om te trouwen. Ze zag ons moeizaam een weg ploeteren om ouders te worden. Ze zag honderden spuiten in mijn buik verdwijnen. Ze zag onze zoon thuiskomen uit het ziekenhuis en er een half jaar later weer in gaan. Ze zag mij door weeën heen worstelen. Ze zag onze dochter geboren worden. Ze zag geluk. Ze zag verdriet. Ze zag verjaardagen. Ze zag afscheid. En dat alles met twee tennisballen in haar bek. 

Hoe vaak heb ik niet gevloekt als zij de straat opliep terwijl ik juist naar binnen probeerde te komen? Hoe vaak heb ik haar niet geprobeerd tevergeefs tegen te houden als ze enthousiast op de kinderen afliep die uit school kwamen? Hoe vaak lag ik niet onder de bank naar haar bal te zoeken? Hoe vaak zat ik niet met de riem in de knoop omdat zij drie keer om de lantaarnpaal liep? Hoe vaak stond ik geen poep te ruimen? Hoe vaak liep ik niet door de regen? Hoe vaak was het veel te laat om nog naar buiten te gaan? 

Nu zal ik eraan moeten wennen dat dat niet meer hoeft. 

Dat we haar nooit meer kwijt zijn omdat ze met mijn even oude nichtje aan de wandel was, allebei twee jaar oud. Dat we haar niet meer kunnen roepen om de gevallen restjes van het eten op te ruimen. Dat ze niet meer door het ijs zakt met -20. Dat ze geen tennisballen meer kwijt is. Dat ze geen duik meer neemt in vies slootwater. Dat we geen Baco meer hoeven te roepen. Dat er niet meer geblaft wordt. 

Een paar dagen geleden liep ik samen met haar nog onze ronde over de dijk. De zon zien opkomen bij het ochtendgloren. De maan die de zon groet. De laatste sterren verjaagd door het licht. De mist die optrekt uit het gras. Haar poten nat van de dauw. 

Ik weet niet beter dan dat zij de deur openduwt met haar neus omdat ik hem te langzaam open. Omdat ze eruit wil, een rondje over de dijk. Gek, hoe je zoveel van zo’n beest kan houden. Gek, hoe zij zo’n groot deel is van je leven. Gek, dat je nu eigenlijk niet meer zonder kan. Gek, dat dat het eerste was waaraan ik het merkte vanmorgen. Geen snuit. 

Wel twee vermoeide ogen, die mij naar haar toe trokken. Ze bleef liggen bij haar plekje bij de voordeur. Dat is niets voor haar. Ze probeerde nog op te staan maar plofte lusteloos weer neer.

Al snel werd het duidelijk, de koek is op. Nog een laatste keer uitrekken en twee diepe zuchten die het leven loslieten. Na twaalf jaar geen dertiende verjaardag meer. 

Slaap lekker

03:45. De sterren staan hoog aan de hemel. Het zijn er een heleboel, zie ik met mijn slaperige ogen. Ze fonkelen helder in de gitzwarte duisternis van deze nacht. Ik zie ze nu liever niet maar doe op dit moment toch aan stargazing met mijn peuter. Ik bedenk me dat het laatst 50 jaar geleden was dat een mens voor het eerst voet op de maan zette. Ondertussen krijg ik een stuk taart in mijn handen geduwd. “Asebieft, voor jou!” klinkt het vrolijk naast me. “Sjokladetaat!” Ze is monter en druk in de weer, die peuter van mij. Als het niet zo donker was, zou ik haast denken dat het ergens tegen de middag liep. Maar we wonen niet nabij een of andere pool in een Scandinavisch land waar het een hele dag donker kan zijn. Dan zou het trouwens in dit jaargetijde ook gewoon licht moeten zijn. 

Nee, het is gewoon midden in de nacht en de rest van Nederland slaapt. Dat hebben wij ook geprobeerd maar het bleek tevergeefs. Ze is nu al uren wakker. Ik had haar al een paar keer terug naar bed gestuurd met daarbij een uitgebreide uitleg waarom we slapen middenin de nacht, waarbij de woorden van haar psycholoog nagalmen in mijn hoofd. ‘De hoogbegaafde aanpak van duidelijk en uitgebreid uitleggen waarom ze iets moet doen, werkt erg goed bij haar’ zei ze en doorgaans is dat ook zo. Meestal doet ze geen fluit voor iets dat niet binnen haar doelstelling ligt maar met een beetje lullen als brugman en inderdaad die duidelijke uitleg, wil ze nog weleens gratie verlenen en meegaan in jouw eisenpakket. Ze kleedt zich bijvoorbeeld niet aan als zij daar geen heil in ziet. Ook niet als je uitlegt dat we zo weg moeten en dat zij dan in pyjama mee moet. Ook niet als je uitlegt dat we aangekleed aan de ontbijttafel zitten. Ze gaat vrolijk mee in haar pyjama en honger heeft ze s’ morgens toch al niet. En ergens weggaan als het nog veel te leuk is staat ook nooit op haar agenda. Ze blijft rustig spelen in de wachtkamer van het ziekenhuis, ook als dat zonder ons is. Strongwilled noemen ze dat, geloof ik. Een eigen willetje, eigenwijs, tegendraads of onvermurwbaar zou je het ook kunnen noemen.

Toch gebeurt het zelden, deze taferelen. Meestal is ze aangekleed en ze is nog nooit ergens blijven plakken zonder ons. Ik praat me helemaal suf met mijn duidelijke uitleg waarom we kleren aandoen of niet alleen achterblijven in een ziekenhuis en gooi er mijn eigen sterke wil tegenaan. Dit keer baatte het echter allemaal niet en moest ik mijn meerdere erkennen. 

Ze had al opgewekt met haar grote broer een knikkerbaan opgebouwd op de overloop en dreigde nu weer hetzelfde te gaan doen. Ik heb haar maar bij ons in bed genomen. Dan slaapt er tenminste nog eentje in dit huis. Hoe andere ouders het voor elkaar krijgen om te cosleepen is mij een raadsel. Mijn zoon kan al niet bij ons slapen omdat het veel te gezellig is, zo bij papa en mama in bed. Mijn dochter is er niet veel beter in. Ze is een draaikont die niet stil kan zitten, of in dit geval kan liggen. Een continue stroom aan prikjes in je rug van kleine peuternagels houden ons alert. Ook het beruchte roze knuffelkonijn vliegt regelmatig door ons bed om op één van onze gezichten te landen. Dan weer een voet in je knieholtes of een vinger in je oog die checkt of ze wel echt dicht zijn. Nog even en we zijn gehavend voorbij het punt van herstel. Dan zijn we bont en blauw. Schouders uit de kom en gecompliceerde beenbreuken houden ons dan maandenlang in bed. Karma voor de boodschap blijf in je bed. 

Als dan, voor de zoveelste keer, haar blonde koppie recht overeind schiet en vrolijk begint te kwebbelen, ben ik er wel klaar mee. “Papa gaat een schuur voor je timmeren” hoor ik naast me. “JAA!” klinkt het antwoord in een veel te opgewekte meisjesstem. Volgens mij is papa er ook wel klaar mee. Wanneer ze vervolgens keihard ‘hallo’ begint te roepen in de waaier die wat koelte moet toewuiven in deze warme zomernacht, omdat het haar stem zo leuk vervormt, neem ik mijn besluit. Ik stap uit bed en ze trippelt snel achter mij aan. 

Een paar nachtvlinders fladderen op als ik het licht aanklik, opgeschrokken van zoveel licht tegelijk. Het stuurt hun biologische klok net zo in de war als het wakker zijn in het donker dat voor mij doet. 

De auto’s heeft ze al snel uitgestald op de salontafel en met boodschappenmandje en eenhoornportomonnee met valse muntjes gaat ze te veld voor boodschappen. Na een rondje om de bank te hebben gelopen, blijkt het toch een te grote opgave te zijn om midden in de nacht je fictieve boodschappen te doen, want ze komt met een leeg mandje terug. Ze bladert nu vrolijk kletsend door de dinoboeken van haar broer heen. Ik kan haar geen ongelijk geven. Overdag mag zij ze niet aanraken, als de dood is hij dat zij ze stuk scheurt. En daar kan ik hem dan weer geen ongelijk in geven. De boeken die op haar kamer stonden zijn allemaal gesneuveld in de veldslag die mijn dochter heet. Geen enkel boek kwam ongehavend door de nacht heen en velen hebben in gedeelten hun weg naar de papiercontainer gevonden. Radicaal scheurde ze er s’nachts hele hoofdstukken uit. De flapjesboeken die onze collectie rijk is, bezitten geen van allen meer een flapje. Ze houdt niet zo van verrassingen, geloof ik. 

Ze is sowieso een rauwdouwer. Niets blijft heel bij haar, bedenk ik me terwijl ze een kopje koffie voor mij zet met alleen nog maar het gedeelte dat de herrie imiteert van een echt cappuccino apparaat. “Cappisino mama?” en ik krijg een roze plastic kopje in mijn hand geduwd. “Voor mij ook één?” zegt ze er vragend achteraan en gaat met een ander speelgoedkopje in de weer. “Ja, pak er zelf ook een. Je moet toch wakker zien te blijven in deze kleine uurtjes” grap ik en ze lacht tot mijn verbazing hard mee om mijn sarcasme.  

Slaap lijkt ze op dit moment nog maar nauwelijks nodig te hebben. Een paar uurtjes maar, meer niet. Een slaapprobleem kan ik het nauwelijks noemen, tenzij je ermee mijn slaapprobleem aanduidt, want zij springt vrolijk rond en heeft totaal geen moeite met deze gang van zaken. Toch heeft ze wel slaap nodig en dat merk ik nu ze instort op de bank. 

Als baby was ze al vrij vlot door haar dutjes heen. Binnen een week naar haar geboorte pakte ze slapen al heel volwassen aan. Ze sliep gelijk door en overdag was ze klaarwakker. Veel beter dan haar broer, kon ze uitslapen. Maar dat lukt nu al een tijdje niet meer. Tel daar haar nachtelijke lees/scheurpartijen bij op en dan kom ik tot de conclusie dat ze minder slaapt dan ik. 

Ik besluit door te vragen naar haar slaapweigering. Ze kan maar moeilijk wennen aan haar nieuwe bed is de feedback. En dat is mijn dochter ten voeten uit. Ze geeft zich niet zomaar over aan verandering. Het duurde dagen voordat ze gewend was aan onze nieuwe auto en ik ben haar al een tijd aan het voorbereiden dat er ooit een nieuwe autostoel voor haar moet komen. Ze wordt er te groot voor, net als het bed. Ze lag erin gepropt en raakte met hoofd en voeten de bedeinden. Mijn zoon lag met anderhalf al in een groot bed, maar zij ligt met bijna drie jaar op de teller nog in haar babyledikant. De spijlen eruit gezaagd om haar een gevoel te geven van vrijheid. En dat beviel haar opperbest. Want alhoewel ze dolenthousiast haar eigen nieuwe bed heeft uitgekozen, blijkt slapen erin nog niet zo’n pretje te zijn. We hebben al veel geprobeerd maar zelfs spanbanden houden haar niet in dit bed. Hoe we dit bed een feest gaan krijgen, is mij nog niet duidelijk. Ik zou kunnen zeggen dat ik daar nog een nachtje op ga slapen, maar dat klinkt als een paradox. 

Misschien moeten we er ook geen feestje van maken. Ze prikt feilloos door ieder doordacht plan van ons heen. Sugarcoaten heeft bij haar geen zin. 

We moeten maar gewoon de tanden op elkaar houden en haar stug in haar bed blijven leggen als ze er s’nachts weer eens uit is geklommen. En als het bed dan te eng blijft, blijf ik wel op haar kamertje bij haar. Met een dekentje in de schommelstoel. 

4:45. Ik pak nog maar een kop koffie. Maar wel een echte dit keer. Ik leg een dekentje over haar heen nu ze op de bank in slaap is gevallen en pak mijn pen….

Bloeddorst


Zzzzzzzzzzz………….zzzzzzzzzzzz……..zzzzzzzzzz! 

Nee, je hoort niet het zachtjes gesnurk dat verraad dat ik slaap. Al zou mijn man anders beweren. Die noemt dat niet zachtjes.

Zzzzzzzzzzzzz…………..zzzzzzzzzzzz………..pats! 

Zzzzzzzzzzz………..zzzzzzzzz….Grrr! Weer mis. 

Ik hoor die mug keer op keer lachen om het feit dat ik toch steeds mezelf sla.

Ik hoop niet dat mijn man mij opgegeven heeft voor Bananasplit of een ander verborgencameragrappen-programma! Want dan ligt heel Nederland nu in een deuk over de vrouw die zichzelf steeds slaat terwijl er een opname van een zoemende mug te horen is. Ik vraag me serieus af hoe ze dan dat jeukende gebergte op mijn lijf voor elkaar hebben gebokst, want die oogt en voelt toch wel heel realistisch. Met jeukpoeder en een goede grimeur of zo?

Nee, dit is geen grap!

Zzzzzzzzzzz……………zzzzzzzzzzzzz.

Onze echtelijke slaapkamer heeft ongenodigde gasten. Nee, het zijn niet mijn kinderen. Buiten het feit dat zij altijd welkom zijn, liggen ze niet te slapen in ons bed. Er word vannacht duidelijk niet geslapen in ons bed. Tot ergernis van mijn man, knip ik steeds het licht aan en uit, als een soort discobal-lichtshow. Ik spring in en uit het bed en ik zwaai druk met mijn armen. We missen alleen de muziek. Maar geen zorgen, het stelletje onverlaten die zonder uitnodiging als een stel party crashers onze rust komen verstoren, verzorgen de maat waarop ik mijn individuele dans uitvoer.

Ik knip het licht weer aan om jacht te maken op de indringers. Gezien de bulten op mijn lijf moet het een heel leger Tamil-tijgermuggen zijn. Ik zie er echter geen één! De camouflage is goed op orde bij dit goed geoliede legertje. Na lang zoeken vind ik een verloren vliegenmepper half verscholen onder de kast. Met mijn wapen in de aanslag sta ik klaar om alles wat rondvliegt uit ons luchtruim te meppen. Er vliegt alleen niets.

Naast me hoor ik commentaar komen uit de bult dekens waar mijn man zich in verscholen heeft. “ Je moet het licht uitdoen, ze komen op licht af!”

Yeah right! Zodra ik het licht aandoe, verschuilen ze zich in allerlei hoeken en gaten in deze ruimte, hoeken en gaten die ik niet ken. Alsof ze weten dat ik ze wil elimineren. Zodra het licht uitgaat, hoor ik gezoem in mijn oren. Dan weet ik wel waar die krengen zich bevinden, namelijk bij mijn oor. Maar hoe moet ik in vredesnaam in het donker jacht maken op die nutteloze wezens?! Ik overweeg een nachtkijker te bestellen in een of andere darkwebspionagewinkel.

Na een vruchteloze muggensafari plof ik zuchtend neer in bed. Gedesillusioneerd knip ik het licht maar weer uit. 

Zzzzzzzzzz………..zzzzzzzzzzzz……..zzzzzzzzz! 

Fuck muggen! 

Veel te vroeg word ik een uurtje later gewekt. Door een krabbend blond mannetje. 

De eerste zonnestralen verlichten de slaapkamer en ik blijk over een zoon te beschikken die kennelijk vannacht alle bergtoppen van de Tour de France heeft beklommen. Hij draagt namelijk de bolletjestrui.

Later blijkt dat het leger tamil-tijgermuggen ook de slaapkamer van mijn dochter hebben bezocht. 

Ik bestudeer nauwkeurig de bultjes die het hele lijfje van mijn dochter bedekken. Het zijn er wel veel! Als het muggen waren, dan moet ze haast leeggezogen zijn. Dan moet ze nu slapjes over mijn armen hangen door het bloedverlies.

Ik hoop niet dat mijn zoon vandaag de briljante ingeving krijgt om met viltstift één van zijn, sinds kort, geliefde puntentekening op haar te maken. Connect the dots. 

Hij komt aanlopen met een boek over kruipende rotbeestjes die we vorige jaar gekocht hebben om hem over zijn angst voor wespen te helpen. Het moet juist illustreren waar al die kruipende kriebelbeestjes wel niet goed voor zijn. De mug zal er dus wel niet in vermeld staan. 

Maar niets blijkt minder waar te zijn want al snel komen we aan bij de mug! Ik wrijf in mijn handen want ik wil de schrijfster hier weleens over zien struikelen. Aan de tijdsaanduiding die boven het hoofdstuk vermeldt staat, maak ik op dat ook zij met een mepper in de aanslag op haar bed heeft gestaan alvorens dit stukje te schrijven. Al hoop ik voor haar dat zij geen man heeft die nutteloos advies de wereld in slingert terwijl hij zelf achter de vuurlinie blijft. 

Helaas kan ook zij geen pluspunt aan de mug gevonden krijgen. Er lijken alleen maar nadelen te kleven aan het wezentje. Het beestje leeft en de vrouwen zijn de uitzuigers van het hele volkje. Menig mensenman zal zich bij dat laatste aansluiten en ik hoor ze al toestemmend mompelen.

En toch is dat ook niet helemaal waar. Een gedegen zoektocht wijst wel meer uit. Ze voorzien niet alleen in voedselvoorziening voor insecteneters, hun kroost eet als larve ook de bacteriën uit ons water. Over het algemeen leeft de mug van nectar uit bloemen en dragen zo bij aan de pracht in onze wereld waarin de flora ons voorziet. Mijn gedachten dwalen vervolgens meteen weer af naar de Dracula-trekjes van de vrouwen van dit volk en zelfs daar halen we nuttige informatie uit. De medicijnen die wij hebben tegen bloedstollingsziekten zijn afgeleid van het goedje dat deze bloeddorstige vrouwen bij ons inspuiten nadat hun honger gestild is.

Terwijl de schrijfster, van het inmiddels waardeloze boek, er nog een positieve draai aan probeert te geven die ik dan weer niet gevonden kan krijgen, door te stellen dat een muggenbult best meevalt, zie ik mijn zoon met een scheef oog naar zijn met bultjes bedekte lijf kijken. Aan het eind van de zomer weet ik zeker dat hij ook braille kan lezen. 

Hij krabt nog eens terloops op wat plekjes en ik weet dat dit boek niet meer uit de kast komt. Zo’n uitspraak overleeft de kritische kijk van mijn zoon niet. Gebrekkige informatieverschaffing al evenmin. Geef hem eens ongelijk! 

Voordeel is wel dat we nog niet zijn toegekomen om over de spin te lezen. Daar zal ongetwijfeld benoemt worden dat die muggen eet. Zit ik straks met een terrarium tarantula’s opgescheept. 

https://youtu.be/2o8W8Jy-P7g

Kampioensgevecht

Er klinkt een lage ‘boe’ klank door de donkere zweterige zaal, nu beide deelnemers naar hun hoek zijn gelopen. Iedereen denkt aan opgeven behalve één. Al het licht is op het midden van de zaal gericht, waar een groot dik rechthoekig kussen ligt met eromheen palen ingepakt met nog meer kussens, zodat ze lekker zacht zijn en de krachten op kunnen vangen die bij een eventuele botsing vrijkomen. Die palen verbinden de touwen die er rondom heen hangen en houden ze op spanning zodat je terug de ring in wordt gelanceerd als je per ongeluk probeert uit te breken. Ze houden de vechtersbazen binnen de boksring zodat ze niet kunnen ontsnappen. Of ze nu willen of niet, dit gevecht moet gestreden worden. 

Gekke benaming eigenlijk, boksring. Het suggereert dat dit podium rond is en geen hoeken heeft. Toch is dit strijdtoneel rechthoekig en markeren de ingepakte palen de hoekpunten. Het is al net zo gek als hetgeen zich afspeelt in die rechthoekige ring. Want dat is dan weer een tweestrijd die enkelvoudig wordt uitgevochten. 

Ik sta in de ring samen met mijn zoon. Maar ik ben meer een toeschouwer dan een tegenstander. Zijn beoogde tegenstander is nu het geschreven woord, maar eigenlijk draait het om iets heel anders. Het draait hier om perfectionisme, die als een coach in de hoek van het geschreven woord in de schaduw verscholen zit.

Toch hang ik nu in één van de andere hoeken van de boksring om op adem te komen, energie te sprokkelen voor de volgende ronde. Bescherm-bitjes worden uitgespuugd in een emmer. Ik kom ongeschonden de strijd door. Het vergt alleen een lange adem. Ik zucht eens diep en zuig daarmee mijn longen vol met verse adem. Ik gooi een handdoek, maar niet in de ring! Ik zal hem nooit in de ring gooien. In plaats daarvan gooi ik hem om mijn nek om de zweetdruppels die van mijn hoofd afstromen op te vangen. 

Mijn coach lijkt meer aangedaan te zijn. De sponzen koud water om zweet en bloed mee weg te spoelen zijn voor hem. Hij heeft wel wat blauwe knokkels en beurse plekken. Denkbeeldig dan, want de verwondingen zijn slechts een verwoording voor iets wat geen taal kent. Hij is misschien ook niet zo goed beschermt dan ik. 

Mijn tegenstander, als je hem zo kan noemen, hangt in de andere hoek. Ook hij kan even niet meer. Ook hij heeft haverlij opgelopen maar dan vanbinnen. Hij moet zijn strijdtactiek herzien en bijstellen, want zo komt hij nergens. Dat ziet hij ook wel. De haverlij bestaat uit een muur die hij heeft afgebrokkeld, waar hij een gat in heeft geslagen. Er schijnt licht door en zijn ogen moeten wennen aan de prikkels.

Het voelt als een gevecht, dit pad wat we nu samen bewandelen. Het soort gevecht wat in een zweterige donkere zaal uitgevochten wordt in een vierkante ring. Het is zeker een gevecht maar wel die van hem. Ik heb alleen de pech om zijn sparringpartner te zijn. Of misschien moet dat feit mij juist trots maken en moet ik dit geluk omarmen. Ook al is die ring fictief.

Want al jaren kan niemand eraan, aan het lezen van mijn zoon. Tot nu. Nu moet hij, want hij heeft iets gevonden om voor te vechten. Dat feit alleen maakt het gevecht niet makkelijker, maar wel haalbaar.

Het is een gevecht waarbij ik geen klappen uitdeel en hij ook niet. De klappen zijn al ver voor aanvang van dit gevecht uitgedeeld en geïncasseerd. Hij weet nog precies wie en waar het was. Hij is slecht in namen maar die van haar is blijven hangen. 

Het waren eigenlijk niet eens klappen maar meer het terugdeinzen voor het inzetten van zijn capaciteiten. Niemand durfde het met hem aan en nu durft hij niet meer. Nu mag niemand het meer proberen. Hij laat niemand meer echt toe, bang voor het terugdeinzen. Behalve mij. Hij weet dat ik van geen wijken weet en dat maakt mij een ideale sparringpartner. 

Ik ben meer de boksbal die hem sterk gaat maken, die hem traint. Hij kan naar mij uithalen, tegen mij aanduwen of op mij los boksen. Ik blijf staan waar ik sta, gebonden aan mijn eigen sterke wil. Maar dat geeft juist vertrouwen denk ik zo. Vertrouwen om iets te doen waarin niemand echt gelooft, zelfs hij niet meer. Vertrouwen om je emoties te laten gaan. En die zijn er. Een heleboel. 

Ik heb hem in deze denkbeeldige boksring gezet. En gek genoeg vormt school dadelijk de kampioensriem die hij om zijn middel kan binden. Ik bracht hem naar een school waar hij uitgedaagd zou worden om te vechten. En nu is Willem Drees, nota bene, de scheidsrechter die het signaal gaf om te vechten, die de bel klonk. Want met deze beste man begon het. Zijn naam moest gelezen worden op de school waar hij toch wel graag is en wil blijven. Hij weigerde en werd boos. Maar ook op school hielden ze stug vol, hier wordt gelezen en jij kan dat ook. 

Mijn mede-tegenstander, een ukkie van 5 jaar, vliegt als een dolle stier op mij af als Willem Drees hem een rode waas voor de ogen bezorgt. Hij vloekt en tiert. Hij gooit en smijt. Maar hij is de enige die vecht. 

Ik ben niet zo onder de indruk van zijn vliegensvlugge voetenwerk of zijn ontwijkende en dan weer aanvallende schijnbewegingen. Ik hou mijn vinger onder de letter en blijf hem vragend aankijken. 

Sinds een week resulteert die aanpak erin dat hij niet meer doet alsof hij niet kan lezen. Wel houdt hij vast aan het spellend lezen van school. Maar ook daar floept er weleens een volledig woord tussendoor waarbij hij even vergeet dat hij volhield dat hij niet vloeiend kan lezen. 

De bel klinkt weer en ik neem mijn standpunt in, in het midden van de ring. Maar mijn opponent heeft de pauze gebruikt om zijn handschoenen uit te doen. Hij ziet mij niet meer als tegenstander maar als hulpmiddel. Hij ziet de boksbal in mij. Hij ziet dat ik eigenlijk niets doe dan blijven staan waar ik sta. Hij kent de opties die er zijn. Of je houdt vol met niet lezen en dan verandert er niets, ook niet aan de wisselingen van school, want je kunt nergens blijven als je weigert te lezen. Dan is het toch weer naar een andere school. Dan is het weer naar groep 3. 

Of hij deelt een stoot uit en leert zichzelf vechten. Vechten voor zijn plekje. Hij doet dat laatste. 

Hij kiest nu zelf zijn vergif en pakt een boek en worstelt zich hakkelend door de tekst. Hij kriebelt letters op papier en gumt ze uit, begint opnieuw en opnieuw. Hij wordt boos en verdrietig, hij schreeuwt het uit en hij struikelt. Hij tapet zijn handen weer is en trekt zijn bokshandschoenen weer aan. Als hij dan, op mij als boksbal, weer eens te vaak heeft misgeslagen en de moed laat zakken, dan hou ik hem zijn doel voor. Waarom doe je dit? Waar wil je naartoe? 

De kracht zit hem niet in het vallen, maar in het opstaan. Het zit hem niet in de bescherming tegen een stoot maar omgaan met de impact. Het is geen wedstrijd, hij hoeft alleen maar van zichzelf te winnen. De waarde van een goed gevecht wordt soms nog wel eens onderschat. Vooral bij een innerlijk gevecht, want eigenlijk kom je er sterker uit en met meer kennis over jezelf. Het boe-geroep uit de zaal is niet leuk om te horen maar wel handig om je de moed te geven weer op te gaan staan. De tijd dat je in jouw hoek hangt, geeft een beetje herstel. En zelfs de klap leert je wat je de volgende keer juist niet moet doen. 

Dit gevecht kent uiteindelijk alleen maar winnaars en vandaag is hij er één. h

Moeder 2.0


Zo nu en dan doemt er een vraag op in mijn hoofd en de laatste tijd steeds vaker. Gewoon bij het boodschappen doen of tijdens het aankleden. Terwijl ik de hond uitlaat of de aardappels schil. Steeds wel een andere vraag maar met dezelfde strekking. Ben ik een normale moeder? Of beter gezegd, kan ik het moederschap normaal invullen? Het moederschap van een uitzonderlijk hoogbegaafde zoon en waarschijnlijk dito dochter is mijn volkomen normaal geworden, maar is dat het ook? 

Horen andere moeders van hun 5-jarige s’ morgens het gesprek aan met hun knuffel? Vast wel, maar klinkt die dan hetzelfde? “Kom panda, dan gaan we een boterham smeren. Dan snij ik wat bamboe voor jou uit de tuin, kun jij ook lekker ontbijten.” Klinkt dat gesprek dan zo? En smeren die dan ook gelijk een cracker voor hun 3 jaar jongere zusje? 

Net als andere 5-jarige loopt de mijne op zonnige zomerdagen ook het strand af op zoek naar schelpen en krabbetjes en probeert hij de kleine visjes te vangen die zich ophouden in het warme water en de luwte van de rotsen in de branding. Maar zit diezelfde marine bioloog in de dop ook een half uur met zijn voeten in de aanrollende golven, over het water te staren om vervolgens naar je te roepen: “Wat is het toch heerlijk genieten zo, hè mama!”

Natuurlijk zijn er legio meiden van 2 jaar oud die hun eigen kleding s’ morgens willen uitzoeken maar weigeren die ook een kledingstuk wat ze niet zelf in de winkel hebben uitgezocht? Zelfs na maanden nog? Vragen die zich ook serieus af wat er met hun moeder mis is dat ze niet even het fatsoen had om haar mening te vragen. Wat haar überhaupt bezielde om zich zonder haar peuter naar een kledingwinkel te begeven? 

Ziet mijn huis er net zo doorsnee uit als ieder ander gezin? Is het gevuld met hetzelfde speelgoed? Vast ook wel. Ook hier staat een loopfiets te pronken. Hij blinkt, zonder een enkel krasje alsof hij net uit de doos komt, want mijn kinderen snappen het fenomeen loopfiets niet zo. Het zorgt voor komische taferelen als mijn kinderen weer eens trachten het onder de knie te krijgen, al moet ik dat niet hardop zeggen, voordat je het weet loopt er een rond met die fiets onder haar knie vastgebonden in de veronderstelling dat ik dat bedoelde met onder de knie. Nee, hier resulteert het tot het zitten op het zadel en verbaasd kijken waarom de fiets geen voortgang maakt. Of ze lopen met de fiets tussen hun benen, de banden een eindje van de grond getild, heen en weer ketsend van het ene been naar het andere been. De uitleg van zittend lopen of je duwend afzetten met je benen blijkt hun te ver te gaan. Of je loopt, of je zit!

Sowieso is een uitleg voor mijn kinderen vaak al een uitdaging. Bij de peutergym van mijn dochter wordt dat altijd pijnlijk duidelijk. “Ze snapt de uitleg vaak niet en staart dan niet-begrijpend voor zich uit”, krijg ik dan te horen. “Nee, jouw uitleg is te simpel en geeft haar te veel variabelen om over na te denken”, probeer ik uit te leggen. Ik staar in twee niet-begrijpende ogen en die zijn geen 2 jaar oud meer. Dit zijn ogen die ouder zijn dan mij, die naar mij terug staren en even vraag ik me af of ze mijn dochter nadoet. “Als je haar vraagt om als een kikker te springen, dan gaat ze over heel veel vragen nadenken. Hoe hoog springt de kikker? Waar springt de kikker heen die ik moet nadoen? Uit het water of juist erin? Een flink verschil want uit het water klim je en in het water spring je. Er moet meer nuance in, details. Spring als een kikker van denkbeeldig lelieblad naar denkbeeldig lelieblad naar de overkant van de gymzaal-vloer die de vijver voorstelt. Zoiets bijvoorbeeld, maar het denkbeeldig moet er wel bij anders heb je kans dat ze resoluut naar buiten loopt om echte bladeren te gaan zoeken om op te springen. Ik ben ze al eens kwijt geweest toen we op het schoolplein wachtte en ik opperde dat ze haar broer kon gaan zoeken. Ik was vergeten te melden dat ze op het schoolplein moest zoeken en dus liep ze al het dorp rond om te kijken waar hij was” 

Het zijn nuances die mijn kinderen broodnodig hebben maar die iedereen over het hoofd ziet, helemaal bij een slecht pratende 2 jarige. Nee, ik geloof niet dat een andere moeder zo gespecificeerd een opdracht hoeft te geven. Die kunnen gewoon in Jip en Janneke taal hun kinderen iets vragen. 

Die lezen hun kinderen ook Jip en Janneke voor als ze naar bed gaan. Ik zit al gauw met een encyclopedie op mijn schoot over dieren, skeletten of dino ’s. Als ik onverhoopt met Jip en Janneke aankom, hoef ik spontaan niet meer voor te lezen. Ik heb een exemplaar in de kast staan voor de dagen dat ik geen zin heb om voor te lezen. 

Menig kinderboekenplank staat ook niet met encyclopedieën gevuld, denk ik. Ze zullen allemaal wel een plank hebben met een aantal kinderboeken zoals Dikkie Dik of Boer Boris, maar die zijn hier al jaren passé. En toch puilt die boekenplank hier uit. Ze hebben haast meer boeken dan ik. 

Hebben normale gezinnen, net als ons, gesprekken tijdens het avondeten? Vast wel, maar zijn het dezelfde gesprekken als wij hebben, waarbij er een felle discussie ontstaat over het feit of een Notosaurus wel echt heeft bestaan omdat mama dat nog niet is tegengekomen tijdens het voorlezen? En legt die andere moeder het dan, net als mij, af tegen haar 5 jarige zoon omdat hij toevallig net een ander boek heeft gelezen, stiekem, waar in beschreven staat dat die dino toch echt over de aardbol heeft rondgewaard? 

Ik denk dat mijn kinderen ook wel gewoon kind zijn met kinderproblemen. Net als ieder gezond kind verafschuwen ze tandenpoetsen bijvoorbeeld. Daar helpt zelfs het favoriete liedje, dat toevallig over tandenpoetsen gaat, van mijn dochter niet aan. Maar dat is dan wel echt het enige kinderliedje wat hier gewaardeerd wordt. Ze geven hier vooral de voorkeur aan de hits van André van Duin. Mijn zoon ligt in een deuk bij een liedje als Barbecue of het Bananenlied, waarbij hij altijd trouw antwoordt op de vraag die André zich een aantal keer stelt waarom bananen krom zijn in de maat van de melodie. En mijn dochter luistert liever naar Vakantie of Nooit is het goed. In de auto wordt ook steevast geskipt bij de gebruikelijke kinderdeuntjes tot er aangekomen is bij de instrumentale orkestregistratie van Frozen, die ik per abuis ertussen heb gezet in de veronderstelling dat ze deze nummers lekker mee konden blèren. Of ik hoor achter me dat de muziek harder moet bij de aanstekelijk rollende drums van Aloe Blacc of de rauwe gitaarhalen van Daniël Norgren uit mijn afspeellijst. 

Mocht er onverhoopt toch een kinderliedje tussendoor schieten, dan krijg ik steevast een stel kritische vragen van mijn zoon naar mij toe getorpedeerd over de nogal simpele en toch ietwat minder correcte teksten. “Een krokodil bijt toch niet in je billen maar eerder in je been hoor! Krokodillen liggen op de grond en zijn dan eerder bij je benen. Dit liedje klopt niet, hoor!” Dat schaar ik toch niet onder een normaal moederleven.

En dan heb ik het nog niet gehad over de kwesties waar ikzelf over na mag denken. Kwesties als het serieus nemen van een doodswens en hoe ik me voel als ik ooit afscheid moet nemen van mijn kind als die echt niet meer wil, als het de vraag niet naar tevredenheid beantwoordt krijgt waarom we hier op aarde zijn. Of over het feit dat het de volgende keer, wanneer dit gevoel in een kinderbrein oprijst, voor zich wordt gehouden omdat er een spoor van pijn door mijn ogen schoot die ik juist om deze reden verborgen wilde houden. Dat de liefde voor een moeder te groot is om haar dat nog eens aan te doen. Daarover kun je met een andere normale moeder geen gesprek hebben, hoe diep het gevoel zit dat jij als moeder iets had moeten of kunnen doen aan toen ze nog jong waren. Hoe diep schuldig jij je gaat voelen en of het voor jou als moeder daarna nog leefbaar is. Dat jij niet zit te wachten om te horen dat jij er niets aan kon doen of dat jij het al zo geweldig doet. Dat bij jou een serieuze vraag opdoemt of jij het wel echt zo geweldig doet als er een van je kinderen gewoonweg niet meer wil leven. Of is dit gewoon de kritische kijk die mij zo eigen is als hoogbegaafde? En dat precies dat gevoel en die kritische kijk het erg lastig maakt om iemand in staat te stellen er met jou over te praten. 

Is het normaal dat jij allang blij bent dat maar één kind van jou op dit moment depressief is? Is het normaal dat jij dat al een overwinning vindt? Is het normaal dat het moederschap voor jou op dit moment aanvoelt als een race die je bij de start al niet kon winnen omdat jij in een rolstoel zit terwijl anderen een fiets mogen gebruiken.  Zijn dit normale vragen die alle moeders zich wel eens stellen? Is dit normaal moederschap of ben ik nu moeder 2.0?

Dat jij angstvallig plastic zakken en touwen verstopt en nog steeds een camera op de bovenverdieping hebt hangen omdat je een van je kinderen nu absoluut niet alleen kan laten. Niet omdat het de gevaren niet kent maar omdat er heel goed gesnapt wordt hoe er een einde aan kan komen. Dat zijn geen normale kinderproblemen meer, dat heb ik heel goed door. En ook het feit dat mijn 5 jarige weet hoe we verzekert zijn bij brand omdat hij anders niet durft te slapen is geen normaal gezinspatroon. Ook niet het feit dat hier een psycholoog bij nodig is. Of dat er al meerdere gesprekken zijn geweest met het halve schoolbestuur over hoe het onderwijs er voor mijn zoontje uit moet gaan zien het komende schooljaar en waar er nog aan gesleuteld moet worden en van welke kant. Geen tien minuten gesprek met alleen de juf voor ons. 

Moeten alle moeders hun woorden zorgvuldig afwegen om niet het verkeerde te zeggen? Zijn alle moeders met een mindset bezig en de manier waarop je iets prijst of juist afkeurt? Geef ik nu een compliment of juist niet? En welk compliment geef ik dan? Hoe geef ik een correct compliment? Ik hoor daar nooit een andere moeder over. ‘Gewoon even luisteren’ hoor ik andere ouders zeggen of ‘niet aanstellen’. Daar hoeft niemand voor naar een psycholoog met zijn kind maar hier kan het voor ernstige schade zorgen. 

Weegt het bij ieder gezin zo nauwkeurig hoe er gepraat wordt en waarover? Wordt in ieder gezin het journaal angstvallig ontweken omdat er anders te veel zorgen bij hun kinderen komen over de grote buitenwereld?

Het vereist een perfectie van mij als moeder die ik niet kan maar ook niet wil opbrengen. Het leven is niet perfect, daar kan ik niets aan veranderen. Maar dan moeten ze wel lang genoeg leven om te zien dat het ook niet altijd perfect hoeft. Dat er ook schoonheid schuilt in foutjes. 

Ik zie ook wel dat dit allemaal niet zo heel normaal is voor een moeder. Dus alhoewel mijn huis, het speelgoed en wijzelf er heel normaal uitzien, ik kan je verzekeren dat de binnenkant er toch wel heel anders uitziet. 

Smaken verschillen

De hele middag zit ik al naar de muur te staren. Niet uit verveling, ik heb eigenlijk wel betere dingen te doen dan naar een blanco stuk muur te kijken. Maar af en toe doemt de vraag weer op en dwingt daarmee mijn ogen weer naar dat onbesmette onbezoedelde stuk maagdelijk witte muur. 

In een vlaag van helderziendheid lieten we, jaren geleden toen de huisschilder voor het laatst langs is geweest, de muren voorzien van een laag afwasbare verf. Een lekker fris en licht kleurtje waardoor ons huis wat ruimer lijkt doordat het invallend licht teruggekaatst wordt door de witte vlakken. Voor de kleurkenners onder ons, RAL 9010 oftewel, zuiver wit. Afwasbaar want we hadden een hond en wilden een gezinnetje stichten. 

Maar, en deze vraag beheerst mijn gedachten nu, hoe afwasbaar is die verf eigenlijk? 

We hebben nog steeds die hond, het beestje is al 12. En het gezinnetje is er ook gekomen. Bij de eerste uitbreiding van ons gezin dacht ik, dat afwasbare van de verf op de muur was wat overdreven in ons geval. Pas nu gaat hij wat tekenen en kleuren en hij weet dat prima binnen het door ons gestelde kader, het vel papier voor zijn neus, te houden. Maar na de tweede ben ik mijn mening gaan bijstellen. 

We hebben namelijk een artistiek talentje binnen ons gezin. Althans, zo noemen we haar straks gekscherend, als we half lachend en achter onze oren krabbend naar het kunstwerk op de muur staan te koekeloeren dat op heuphoogte is aangebracht. Een kunstwerk zonder lijst en wat geen haakje in de muur behoeft. Een kunstwerk bestaande uit verwoede krassen stift in de vrolijke kleuren zwart en bruin. Een absolute tegenhanger van ons kraakheldere kleurtje op de muur. We zullen er ook vast een uitgebreide analyse op loslaten over de gevoelens die de kunstenaar probeerde over te brengen via dit medium. Wat de gedachten waren van de uitvoerende toen deze expressie in louter zwart had plaats gevonden. Deze cobraïstische tekening op de muur die geen kleur bekent. Deze verhandeling van het abstract expressionisme. Laatst vertelde iemand me dat je zoveel kan aflezen uit hoe een kind tekent, al zijn het maar krassen. Ik ging er maar niet op in want als ik hieruit een weergave van haar ziel moet lezen dan moet ze haast een doomdenker zijn die alleen maar zwarte agressie ziet en niet het vrolijke meisje dat lief lachend met een zacht roze konijn door de wereld huppelt. Ik houd het maar op motorische gebrekkigheid en een knullige kleurkeuze. 

Maar gelukkig is het nog niet zo ver hoor. We zijn nog geen eigenaar van een carrière makend stuk kunst op de muur. Maar zelfs ik kan in mijn glazen bol wel zien dat we dat ooit wel zullen krijgen. 

Zodra ze stiften in haar handen heeft gehad, verraden de vlekken op haar kleding al dat de focus volledig in haar werk is gaan zitten. Vol overgave kleurt ze het bewaarblik van haar tekenmateriaal alsof dat haar canvas is. Het vel papier voor haar neus blijft leeg. Ik kan zien dat ze met paars en groen bezig is geweest aan de sporen die zijn achtergebleven op haar wangen. En ik vertel haar nog maar eens dat de rode stift echt géén lippenstift is. Ik zie haar kort daarna alweer achteloos de stift naar haar mondhoek brengen terwijl ze diep in gedachte is over waar de volgende stiftenstreep op haar doek moet komen. Dat doek is dan haar t-shirt. Of het televisiekastje, kwam ik laatst terloops achter toen ik het idee op mijn heupen kreeg om eens een stofdoek over meubilair heen te halen. Na alle schoonmaakmiddelen die onze kast rijk is erop te hebben los gelaten lukte het me om de ogenschijnlijke doelloze strepen er weer af te krijgen, samen met de beits die het hout ooit bevatte toen het de fabriek verliet. Sta ik straks ook de witte verf van de muur af te boenen in een poging de willekeurige zwarte en bruine strepen stift weg te toveren. Dat het water wel wit kleurt bij het uitwringen van het doekje maar niet zwart. En blijven die strepen dan hardnekkig staan terwijl de verf er al lang afgewassen is? Heet het daarom afwasbare verf, omdat hij zo makkelijk van de muur te wassen is?

Wit dekt ook nooit de zwarte strepen af als we besluiten om de muren dan maar weer opnieuw te sausen. Zitten we straks aan zwarte muren vast! Of diepdonker bruin.

Het weerhoudt haar er in elk geval niet van om op de muren verder te gaan als het papier, het bewaarblik of ons meubilair niet meer volstaan als haar canvas.

Ik moet bekennen dat ze dat artistieke niet van een vreemde heeft, al hoor ik mijn moeder nooit over de keren dat ik de muur vol had gekalkt met mijn artistieke uitingen. Ik geloof dat die er niet waren. Wel vierde ik mijn creatieve talenten bot op mijn kamerdeur toen ik een jaar of 15 was. Ik was en ben nog steeds een laatbloeier. 

Eigenlijk wilde ik haar verassen met een nieuwe kamer binnenkort en daar mijn artistieke talent op loslaten met een muurschildering. Maar nu begin ik bang te worden dat ik haar het verkeerde voorbeeld geef. Ga maar lekker op de muur kleuren schat, mama doet dat ook! Misschien moet ik haar muren behangen met kleurplaten, want ik geloof niet in dingen die ik wel mag en zij niet, tenzij het gevaarlijk is natuurlijk. Hoe ga ik haar uitleggen dat haar ‘kunst’ niet mag maar de mijne wel? Het klinkt mij te oneerlijk in de oren. Net als het kader, wanneer het kleurplaten-behang eenmaal hangt: op jouw kamer mag het wel maar in mijn huiskamer niet. Wie ben jij om op mijn muren te kliederen, hoor ik haar denken bij het zien van mijn kunstwerk. Of ontketen ik daarmee het idee bij haar dat als ik op haar muren mag kleuren, dat zij dat dan ook op mijn muren mag. Misschien vindt ze wat ik maak, ook helemaal niet zo mooi, maar zegt ze straks een beetje quasi:” Wauw, mooi hoor!” 

Kunst is altijd in the eye of the beholder. 

Misschien kan ik de muur voorzien van een plastic-coating. Waarvan ik zeker weet dat een doekje met warm water en wat schoonmaakmiddel volstaat. Althans, de strepen van sommige stiften staan nog steeds op het plastic dat het tafelblad moet beschermen, dus die zekerheid heb ik ook niet als ik de muur laat coaten. Sommige afwasbare stiften blijken toch best hardnekkig te zijn, helemaal als ze geconfronteerd worden met een poging tot uitwissen. Ik heb die, niet zo, afwasbare stiften en potloden voor de zekerheid maar achter slot en grendel zitten. 

“Ikke kleuren?” hoor ik achter me en mijn blik dwaalt even af voordat ik in actie kom om haar haar tekenmateriaal te geven waar het kunstzinnige deel van haar brein zo naar snakt. Kijkend naar mijn vooralsnog bijna witte muren denk ik: ”Is zwart al een beetje een trend aan het worden om op de muren van je huiskamer te smeren?”

Rookgordijnen

Ja! Daar was ie! De glimp. De glimp die niemand ziet. Het was een heel kort moment. Een breuk in de illusie die zijn systeem ons probeert te laten geloven. Soms geeft het leven je net genoeg hoop om alle kracht vanuit je tenen omhoog te sturen naar de toppen van je vingers die zich wanhopig om het randje van de kloof hebben geklemd en uit alle macht proberen vast te houden wat een ander al lang had laten schieten. 

Maar ik zag hem, die glimp. Hij boog voorover omdat wat ik hem nu vertelde, toch wel heel interessant was. En nu houd ik vast met meer hoop dan een ander ooit kan opbrengen. 

Het is alsof ik al een tijdje naar een show van de grote Houdini kijk. Een magistrale illusie van iemand die onder onze ogen verdwijnt. Waar is hij nu? Net zat hij nog, in kettingen gewikkeld, opgesloten in een kooi. Je weet dat het niet kan en toch gebeurd het. Achter alle rookgordijnen, aan de andere kant van het podium waar de illusionist je aandacht van probeert weg te houden, daar gebeurt het. Daar is de echte show te zien. Daar is iemand stiekem aan het werk. Niemand ziet het sleuteltje in zijn mouw verstopt. Niemand ziet de weggewerkte dubbele bodem. Of de levensechte pop die moet suggereren dat er benen afgezaagd worden. Niemand ziet die vrouw die als een slangenmens zich in de kleinste ruimtes weet te frommelen. Niemand ziet het harde werk dat met zo’n productie gemoeid is. Maar ik wel. Ik zag een glimp van metaal glinsteren onder de mouw. Ik zag het luikje dichtvallen. Ik zag dat de benen nep waren en ik weet dat anderen leniger kunnen zijn dan mij. Ik zag het gerommel in de coulissen. 

Zo moet je het ook beschouwen, denk ik. Als een grootse show vol illusies waar jouw hoofd niet bij kan. Het is een prachtig staaltje werk. Je moet je niet bedondert voelen maar aanvaarden dat iets je zo geweldig kan laten geloven in iets. Een ongekend talent om je te laten geloven in iets waarvan je hersens weten dat het onmogelijk is. 

Mijn zoon bezit dat talent. Hij kan je laten geloven dat er voor je ogen een helikopter in het niets lijkt te verdwijnen. Hij houdt je aandacht weg van de plek waar het allemaal gebeurt. Dat doet hij heel kunstig, maar ergens moet geoefend worden. En dat is thuis. 

Ik kreeg een telefoontje een tijdje geleden. Van de fysio. Ze wilde een stapje terug doen. Hij had een te korte concentratieboog en kon zijn aandacht niet bij het schrijven houden dus wilde ze terug naar kleuterniveau. Terug naar het begin dat hij allang niet meer interessant vindt. Continu probeerde hij de aandacht af te leiden. Wat eet jij vanavond? Waar ga je met de vakantie naartoe? Heb jij huisdieren? Hij liet een vragenvuur op haar los. Een rookgordijn dat zijn werk effectief doet. Zij gelooft zijn verhaal en er komt daar geen pennenstreek meer op het papier. 

Zelf gelooft hij zijn eigen illusie nog het meest. Hij is gaan geloven wat anderen vinden dat hij niet kan. 

Ik las ooit een interview met een vrouw die langdurig in hongerstaking was geweest. Het lichaam gaat op een gegeven moment zelfs voedsel weren. Het gaat braken als er plots weer eten in de maag komt. Hervoeding schijnt een langzaam proces te zijn. Zelfs als ze honger had, kon ze niet meer eten. Ze moest zichzelf dwingen om te eten. Gek eigenlijk, dat je lichaam schuwt wat het juist zo hard nodig heeft. 

Mijn zoon staat al jaren op een intellectueel dieet. Dat dieet is overgegaan in een intellectuele hongerstaking. En nu hij sinds jaren weer wat aangeboden krijgt, braakt zijn lichaam die broodnodige intellectuele voedingsstoffen uit.

Dat betekent niet dat we hem niets meer moeten aanbieden. Alleen dat het even duurt voordat zijn systeem die voedingsstoffen weer accepteert. 

Na het telefoontje zaten we op school. Voor een gesprek. Over concentratie, over niveau, over teruggaan naar groep 3 nu hij op de drempel naar groep 4 staat. Maar vooral ook over de illusie waar hij zelf zo in is gaan geloven dat het hem heeft overtuigd dat hij dood beter af is. Dat uithongeren de beste weg is. 

“Thuis schrijft hij gewoon hoor! Iedere dag oefent hij”. Vanaf de overkant van de tafel werd ik vol ongeloof aangekeken. Hoe krijg ik voor elkaar wat niemand lijkt te lukken? Een lachje ontsnapte aan één van de gezichten. Of ik niet op school kan komen. Ja dat kan! Als niemand behalve ik hem over die grens kan helpen om intellectueel weer te gaan eten, dan kan dat. Maar we gaan niet terug! We blijven hier. We blijven waar we zijn, in deze klas, met deze juf en op deze school. Omdat hij hier hoort. Omdat hij dit kan. Omdat hij ondanks de rookgordijnen hier wil zijn. Zijn systeem is alleen te lang zonder geweest, dat het nu schuwt wat het zo hard nodig heeft. 

Ik snap hem wel. Hij leidt de aandacht af, weg van het toneel waar het gebeurd. Waar de frustratie heel groot wordt in een intens brein. Waar de uiting nog grootser is door intense emoties. Want dat is wat voor mij dé indicatie is van een uitzonderlijk hoogbegaafd kind. Die intense beleving. Niet het intellectuele kunnen of de hevige problemen. Alles ligt voor mij in die intense beleving. En die beleving uit zich net zo intens als hij is. 

Iedere dag schrijft hij, huilend en schreeuwend van boosheid. Niet omdat hij moet van mij, maar van hemzelf. Omdat hij weet dat het moet om te leren. Omdat hij het wil leren. Hij haalt zijn gekleurde pennen, zijn dino encyclopedie en zelfs zijn oefenschrift van school en dwingt zichzelf om te eten ondanks het protest van zijn systeem.

Maar nergens voelt hij zich veilig genoeg om die intense gevoelens te uiten. Nergens voelt hij zich veilig genoeg om die grens op te zoeken bij zichzelf, die grens die die intensiteit allemaal oproept. Niemand mag zien dat zijn systeem braakt.

Voor mij is het makkelijker dan de mensen die hem nu moeten helpen. Ik heb iets wat al die kenners, professionals en besluitnemers niet hebben. Ik heb de herinnering aan mijn zoon. Ik heb de herinnering aan een jongen die aandachtig kon luisteren, die aandacht had voor anderen en ze wilde leren kennen. Ik heb de herinnering aan een jongen die uren geconcentreerd kon kijken naar iets. Ik heb de herinnering aan de jongen die ondanks frustraties doorzette. Ik heb de herinnering aan een jongen die omringt was met boeken. Ik heb de herinnering aan een jongen die alles zelf wilde leren. Ik heb de herinnering aan een jongen die was wie hij was en niet een jongen die wilde zijn wat iedereen van hem wilde. Ik heb die glimp. Ik kan voorbij de rookgordijnen,  dubbele bodems en verborgen luikjes kijken omdat ik Houdini ken zoals hij was voor al die illusies. Ik heb die glimp.