Nature or nurture?

  • Nature: alle eigenschappen van het individu zijn bepaald door aanleg, bijvoorbeeld het genetisch materiaal.
  • Nurture: alle eigenschappen van het individu zijn bepaald door opvoeding, voornamelijk door de leefomgeving.

“Ja, ze kan ook maar slecht hulp aanvaarden” Ik hoor de uitspraak en trek mijn wenkbrauwen op. We zitten nota bene bij een psycholoog op mijn initiatief! Hoezo kan ik dan geen hulp aanvaarden? Hij kijkt gewoon tegen het feit aan dat ik weet dat ik meestal zelf eerder heb uitgevogeld wat de oplossing is dan degene waar ik hulp bij vraag. Toch wordt naast mij dit dodelijke oordeel geveld over mij. 

Tegenover mij zitten de twee deskundigen mee te knikken. Het hele gesprek ging over het feit dat mijn kinderen moeite hebben met fouten maken en ons aandeel daarin. Beter gezegd mijn aandeel, want ja, ik ben de ouder die thuis is en ik ben ook de ouder die een getest hoogbegaafd IQ heeft. Dat maakt dat dit alles op mijn conto komt. Mijn man is er niet op de momenten dat de meeste fouten hier begaan worden en hij is ook niet hoogbegaafd en juist die mensen hebben een ingewikkelde relatie met foutjes. Tenminste, dat is het vooroordeel. 

Ik stem toe in alle adviezen zonder er zelfs maar vragen bij te stellen of in mijn verdediging te schieten. 

Ik zal vast schuldig lijken doordat ik toestem en mijzelf niet verdedig. Ik verbaas me nog steeds, zelfs nu ik het verschil ken, over het gemis van diepgang. Want niemand vraagt mij waarom ik zonder pardon instem in het laten vastleggen van mijn doen en laten. 

Ik moet namelijk video’s maken van situaties waarin ik met mijn kinderen verzeild raak. Om te kijken wat ik verkeerd doe als zij fouten maken. Of wat er gebeurd als ik zelf een fout maak. 

Maar zo mag ik het niet stellen. Ik mag het niet verkeerd noemen. De deskundigen zijn het erover eens dat ik niets verkeerds doe. Nee, echt niet! Ik moet het alleen anders doen. Dat klinkt beter, denk ik. Dan klinkt het niet alsof ik fouten maak. 

Van mij mag je het gerust fout noemen hoor, wat ik doe. 

Natuurlijk hebben mijn kinderen moeite met het maken van foutjes. Het is gewoon stom om iets fout te doen, dat ga ik niet ontkennen. In tegendeel! Ik ben een voorstander van het uiten van je emoties. Dus als jij een foutje maken stom vindt dat mag jij dat gerust even ventileren. Daarna herstel je jouw fout, of je gumt hem uit en begint opnieuw. Want in mijn ogen draait het daar bij foutjes om. Je wilt iets leren, je begint eraan, maakt een fout, baalt daar even van, ziet wat je anders moet aanpakken en probeert vervolgens een beter resultaat te behalen bij een volgende poging. 

Je moet fouten ook juist stom vinden als je iets wil leren. Als je die fouten allemaal oké vindt, ga je ook niet echt streven naar een beter resultaat. Dan stopt je proces daar, bij die fout. Dan rij je met een gerust hart iedere dag drie paaltjes omver bij het parkeren van jouw auto of wikkel jij je maar wat graag in de geur van verbrandde aardappels iedere dag weer. 

Het probleem ligt hem, volgens mij, bij het ventileren van de emoties die je ervaart als je een fout maakt. Vooral bij van die hoogbegaafde gevalletjes zoals ikzelf en mijn kinderen. Ze zijn namelijk nogal intens, die hoogbegaafden. Hoe hoger het IQ, hoe intenser ze de wereld beleven. 

Nu ik je dit verteld heb, zal het je niet verbazen dat dan ook de beleving van een fout maken intenser is. 

Als ik een fout maak, dan baal ik even. Het is voor mij niet zo bijzonder. Iedereen baalt van zijn fouten. Maar voor mijn niet hoogbegaafde man ziet mijn reactie daar op er anders uit. Die concludeert aan de hand van mijn reactie, dat mijn wereld volledig instort. Dat is niet zo. 

Mijn zoon is vele malen slimmer dan mij en als hij een foutje maakt dan ligt hij onder de tafel te huilen van verdriet. Hij beleeft dat foutje nog intenser dan ik. Maar ik snap hem wel. Ik laat het ook toe. En tot zijn tweede levensjaar werkte dit perfect. Na deze uitbarsting raapte hij de moed weer bij elkaar en ging verder. Hij maakte net zolang foutjes totdat hij de vaardigheid onder de knie had. 

Na zijn tweede levensjaar is zijn wereld veranderd. Niet langer was het oké om onder de tafel te liggen huilen als je een foutje maakte. De juffen die hij tegen is gekomen trokken uit de reactie de conclusie dat wat hij probeerde te leren veel en veel te moeilijk was en lieten hem het niet meer doen. Hij hoefde nog niet te schrijven, te lezen of noem maar op. Helemaal niet als het zoveel met zich meebracht. Ze werden bang van zijn reactie, van zijn emoties. En hij heeft dat opgepikt. Hij heeft wel degelijk wat geleerd op school, namelijk dat als je zoveel emotie ervaart bij iets dat je het dan maar niet meer moet doen. Dan is het te zwaar, te moeilijk. 

En tegen die les kijken we nu nog aan. We kijken naar iemand die bang is voor zijn emotie. Puur omdat de meeste mensen niet zo’n intense beleving ervaren. 

Ik ga met heel veel vertrouwen alles filmen. Ik film ieder foutje dat op ons pad komt. Ze mogen alles zien. 

Ik ben namelijk niet zo bang voor foutjes. En ook niet voor mijn emoties. Ik ben ervan overtuigd dat ze zien dat ik een hele normale reactie heb op het maken van foutjes, ook voor een hoogbegaafde. En als dat niet zo is, mogen zij mij helpen dat normaler te krijgen. 

Daarna laat ik ze een filmpje zien van een drie maanden oude baby die hevig huilend van frustratie in de box ligt omdat het omrollen nog niet wil lukken. Dit is geen nurture, maar nature. Dit ís zijn karakter. Het is zijn karakter om verschrikkelijk boos te worden om zijn foutjes. Zolang hij daarna de draad maar weer oppakt, vind ik het verder heel gezond. 

Ze hebben gelijk hoor, die deskundigen. Het feit dat mijn kinderen hevig reageren op het maken van foutjes is helemaal mijn schuld. Dat ontken ik niet. Maar ze hadden wel een vraag ter verdieping mogen stellen, namelijk, waarom stem ik zonder morren in op het vastleggen van mijn fouten als ik verondersteld wordt deze heel erg eng te vinden om te maken? Want dan had ik kunnen antwoordden: dit zijn mijn genen! En die voedt ik graag op in de juiste context. En dat gaat een stuk makkelijker nu zijn omgeving buiten huis meer is aangepast op hem. 

Geef mij de tijd en ik leer ze dat ze niet bang hoeven te zijn van hun emoties en dan nemen die emoties na verloop van tijd af. Gewoon, omdat die emoties dan niet meer nodig zijn. 

Prijzenkast

Hij is goudkleurig. En glanzend! Precies zoals een medaille hoort te zijn. Trots hangt hij om zijn hals te bungelen. De kers op zijn taart. De beloning voor zijn inspanningen. En het zijn me nogal wat inspanningen geweest voor zo’n jong mannetje. 

Hij kon amper boven de hoogste stukken uit kijken die op het bord stonden. Het leek of ze hoog boven hem uit torenden. In werkelijkheid was dat niet zo. Dat was enkel mijn beleving. Hij was niet eens de kleinste die meedeed, wel de jongste. Verreweg de jongste. Hij is altijd de jongste, in de klas, zelfs op de hele school, dus op dit schaaktoernooi ook. 

Hij had netjes zijn naam opgegeven bij de wedstrijdleiding en het geld betaald wat bij de inschrijving hoort. Nu zat hij met zijn wiebelkont ongeduldig tegenover zijn tegenstander te wachten tot hij mocht beginnen. Zijn beentjes bungelden ritmisch heen en weer op de te hoge stoel. 

Ik steek mijn wijsvinger overdwars voor mijn mond om hem duidelijk te maken dat er niet gepraat mag worden tijdens de partijen, maar hij weet wel beter en kijkt mijn kant niet op. 

“Help hem maar gerust, ik ben allang blij dat ie meedoet” zegt ze fluisterend tegen mij in het voorbijgaan. Het is de dame die dit toernooi organiseert. 

Een beetje verbouwereerd kijk ik haar na. Hoe moet ik deze uitspraak interpreteren? Weet zij iets waar ik niet van op de hoogte ben? Loop ik hier met het nieuwe schaaktalent van deze eeuw door de school? Gaat hij straks, als een soort mini schaakgod in een of ander solo optreden, alle tafels met speelborden af en legt daar een voor een de koninginnen van zijn tegenstanders neer terwijl hij ‘schaakmat’ roept, onder luid gejuich van de verliezers, gewoon omdat het zo geweldig is om van zo’n talent te mogen verliezen. Is hij de nieuwe Bobby Fischer of Anatoly Karpov en is iedereen mij dat vergeten te vertellen? Vindt zij het zo’n eer dat deze kleine blonde jongen dit toernooi bezoekt? Loopt hij straks met een grote trofee te zeulen als we naar huis gaan?

Twee seconden na het startsein word mij duidelijk dat dat niet is waar ze op doelde. Binnen één lullige zet is hij al verslagen. Blijkbaar is het een handig schaaktrucje waar hij in is getrapt en is hij dus niet de gereïncarneerde ziel van een of andere schaaklegende. 

Maar waarom dan die opmerking? Ineens valt het hulpgedeelte van haar uitspraak op zijn plek. 

Had ze het al opgegeven met hem tijdens de schaaklessen die ze op school geeft en is ze verbaasd om hem hier nu te zien? Denkt ze nu: help die jongen alsjeblieft want daar zit totaal geen talent in. 

Het is niet echt een uitspraak die een kind het beste uit zichzelf laat halen. Ik ben zelf ook niet zo gebrand op de winst, maar als je dan toch meedoet, gun je tegenstander dan het beste van jezelf. Ook als je weet dat je niet kunt winnen. Laat dat dan de boodschap zijn. ‘Wat fijn dat je meedoet, haal je beste spel uit de kast’ of iets in die trant.  

Nee, haar uitspraak klinkt meer alsof hij opvulling is in dit toernooi. Voer voor de echte schaakkampioenen die hier rondlopen. Haar verwachtingen zijn niet erg hoog gespannen en dat boezemt niet erg veel vertrouwen in. Die verdomde verwachtingen van een ander ook altijd! Zijn ze te hoog, dan kun je onder de druk bezwijken. Zijn ze te laag, dan ben je niet geneigd om iets neer te zetten. En bij mijn zoon zijn ze meestal te laag.

Je kunt er niet omheen, je hebt er de hele dag mee te maken. Het loslaten van de verwachting van een ander is de eerste stap op weg van droom naar werkelijkheid. En toch kan de verwachting van een ander je ook helpen. De verwachting van zijn juf op deze nieuwe school ligt vele malen hoger dan alle voorgaande juffen en nu bloeit hij pas op. Een hoge verwachting kan een soort vertrouwen uitspreken daar waar een lage verwachting eerder wantrouwen wekt. 

De lage verwachting van deze schaakjuf zou mij in ieder geval niet laten streven naar de top, want ja, ze is allang blij dat je er bij bent, zeg maar, dus waarom zou je nog moeite doen? Het is alsof je dan meedoet voor spek en bonen. 

En dat helpen zit er ook niet in vandaag. Ik zou ook niet door mijn moeder geholpen willen worden wanneer toch herhaaldelijk is gezegd dat ouders niet voorbij de lijn mogen komen, in de buurt van de tafels. Helemaal niet als ik al de jongste was van het hele stel. Dan wil jij je laten gelden, lijkt mij. Dan wil je de rest laten zien wat je waard bent, dat je hier hoort, ondanks je leeftijd, en op eigen kracht. 

Ik kijk zijn kant op maar hij lijkt haar denigrerende opmerking die ongetwijfeld goed bedoeld is, gelukkig niet te hebben gehoord. Na zijn eerdere verlies, gaat het hem nu beter af. De tweede partij eindigt in remise. En tijdens de derde partij gaat hij zo op in het spel dat hij vergeet op de speelklok te drukken. Alle speeltijd wordt benut maar uiteindelijk moet hij deze partij afgeven aan de tegenstander. 

Ik steek geen vinger uit om hem te helpen, of zij dat nu wil of niet. Niet omdat ik hem graag zie spartelen, maar omdat ik verwacht dat hij dit kan zonder mijn inmenging.

En hij kan dit! Misschien omdat mijn verwachtingen hoger liggen dan die van de schaakjuf. Of omdat hij de kunst al machtig is om verwachtingen van een ander los te laten en te varen op zijn eigen kompas vol verwachtingen. Hij heeft zich kranig verweerd, hij heeft zijn mannetje gestaan. Hij heeft niets gewonnen, behalve deze ervaring. En die is een medaille waard. 

Oase

De warme waterdruppels dalen neer op mij. Ze wassen de nacht uit mijn ogen en vullen de ruimte met stoom. Dit is het heerlijkste moment van mijn dag. Buiten is het nog donker en het hele huis is door een diepe rust omhult. Dit is het moment van de dag waarop mijn koffie niet koud staat te worden omdat er een glas water om is gevallen die nu de afstandsbediening kortsluiting dreigt te geven of schoenen die nù gevonden moeten worden èn alleen door mij want anders komt iedereen te laat voor zwemles. Dit is het moment van de dag waarop mijn gedachtestroom niet onderbroken wordt door brullende dinos, vliegende draken of een spervuur aan vragen. Dit is het moment van de dag waarop niemand zich druk maakt over wat ik doe. Dit is het moment van de dag waarop ik even van een warme douche kan genieten voordat er een wervelwind door mijn oase van rust trekt en alle stof doet opwaaien. 

Ik haal mijn handen door mijn haar en voel een plotse temperatuurdaling die zich meester maakt van de ruimte. Zelfs met mijn ogen dicht, zie ik hoe de stoom van het warme water ontsnapt naar de koelere ruimte aan de andere kant van de badkamerdeur. Het vacuüm van mijn oase is verbroken. 

In een waan van schijnveiligheid doe ik nooit de badkamerdeur op slot. Theoretisch gezien zou er nu een indringer mijn huis binnen kunnen zijn geslopen, mijn hele gezin hebben uitgemoord en nu zijn zinnen op mij hebben gezet. Het is misschien een mooie setting voor een Hollywoodfilm maar voor nu maak ik me niet al te veel zorgen. Ik ben geen doemdenker. 

Dat ik de voetstappen al op de trap hoorde, helpt daaraan mee. Ik zou nu een mooie zin op willen schrijven over het lichte getrippel op de trap van kleine lichtvoetige kindervoetjes die stilletjes de trap af sluipen, voorzichtig, tree voor tree. Maar mijn zoon kun je beter omschrijven als een olifant op speed die de trap af komt denderen. Daar is niets lichtvoetigs aan. Hoe zo’n klein mannetje zoveel kabaal kan maken op een trap is ons allemaal nog steeds een raadsel. 

‘Mama’, hoor ik achter mij. Ik draai me om met mijn ogen nog dicht. Ik wrijf het water van mijn gezicht en uit mijn ogen. Zodra ik ze open doe, word ik verblind door een klein lichtbundeltje dat recht in mijn ogen schijnt. Het beweegt zenuwachtig heen en weer. De dinoprojectorzaklamp van mijn zoon. 

Sinds kort is het ding weer helemaal hot. Overal waar hij gaat, schijnt hij zijn lichtje weer. Nu schijnt hij zijn licht op de witte muur van de douche. ‘Hoe heet deze dino ook alweer?’ Hij wappert de zaklamp druk heen en weer en kijkt mij vragend aan. “Dat weet ik niet, ik zie niet welke je bedoelt” zeg ik terwijl ik naar het wit van de muur staar. Hij wappert nog wat drukker met de zaklamp heen en weer, alsof ik het dan wel beter zie, en kijkt me geërgerd aan. “Die met die flippers, maar niet de plesiosaurus” benadrukt hij, alsof dat moet ophelderen wat hij precies bedoelt.  “Als je het licht uitdoet van de badkamer, zie ik het licht van jouw zaklamp misschien wel, want nu valt het weg tegen het wit van de muur” en op het moment dat die woorden mijn mond uitrollen weet ik dat ik de rest van mijn douchesessie in het donker moet uitvoeren, op de tast zoekend naar de shampoo in de hoop dat het dat wel is en moet ik me zorgen maken dat ik geen scheerschuim op mijn tandenborstel smeer. 

Het licht gaat uit en er ontwaart een monsterlijke dino op de muur in een klein blauw vlak. Het beest springt uit het water en hapt gevaarlijk naar de dino die over het wateroppervlak scheert, waarbij een flinke rij scherpe tanden worden ontbloot. De dino’s vissen naar een maaltijd zoals mijn zoon vist naar een antwoord. Hij weet best hoe deze dino heet maar durft het niet met 100% zekerheid te zeggen. Hij wil zijn vader niet met foutieve informatie belasten. Hij heeft nog niet door dat papa gezegend is met het geheugen van een eendagsvlieg als het informatie betreft die hij niet nodig heeft. De informatie die mijn zoon steeds weer in zijn geheugen probeert te proppen, sterft daar net zo snel uit als de dino’s ooit deden. Morgen is hij het toch weer kwijt en dus kun je zonder schuldgevoel een fictieve naam geven aan deze dino. 

“Een mosasaurus” vertel ik hem naar waarheid omdat ik het ook niet over mijn hart kan verkrijgen om het andere deel van ons opvoedduo te vullen met fictieve dino-namen, veel te bang dat hij het straks ineens wel onthoudt. Aan liegen doe ik niet.  

Mijn zoon sprint de badkamer uit, tevreden over het antwoord. De wervelwind vervolgt zijn spoor naar de ruimte ernaast. De deur slaat dicht maar gaat ook weer net zo snel open. Meteen daarna klinkt het licht weer aan. Het valt me niet tegen. Hij laat me verbaasd achter. Mijn verstrooide professortje lijkt alles weer een beetje op een rijtje te krijgen. Deze school doet hem goed. 

Mij ook. Het doet mij goed om te zien dat we een goede keus hebben gemaakt en alles op alles hebben gezet om hem hier te krijgen toen bleek waarom de school in ons dorp hem geen onderwijs kon geven. 

Ik sop mijn haar in. Met mijn ogen dicht hoor ik hem aan de andere kant van de muur tegen zijn vader vertellen over de dino die hier rondzwom toen het hier nog een oceaan was. Ik spoel het sop weer uit mijn weelderige blonde lokken maar wanneer ik mijn ogen opendoe blijft het donker. Naast mij doemt een klein groen plaatje op op de muur en achter mij hoor ik de stem van mijn zoon. “En deze? Hoe heet deze? Niet de Brachiosaurus, maar die andere met een lange nek”. Hij houdt het lampje dan weer dichterbij de muur, dan weer verder ervan af. Het plaatje wordt steeds weer groter en waziger of kleiner en scherper. 

Gelukkig heb ik voor het antwoord geen plaatje nodig. “Ik zal je een geheugensteuntje geven, want volgens mij weet je het zelf ook wel” zeg ik, niet van plan om alles prijs te geven. “Het begint met een d”

Hij sprint weg terwijl hij naar zijn vader roept. “Diplodocus papa, zo heet deze en hij was groter dan de Brachiosaurus!” Zijn stem wordt steeds zachter wanneer hij zich naar de aangrenzende ruimte begeeft en laat mij nu wel in het donker achter. Vol vertrouwen wacht ik geduldig af tot hij terugkomt om weer licht te brengen in mijn duisternis. Maar dat gebeurt niet. Ik roep zijn naam maar ik krijg niets door zijn betoog in de andere kamer heen. 

Met een zucht dooft mijn stem uit. Op de tast beginnen mijn handen in het duister te zoeken. Ik moet mijn tanden nog poetsen…

Drakenbloed

‘Ik heb helemaal niets meer om mee te spelen, mama! Echt helemaal niets!’ Mijn zoon spreekt zich uit over de erbarmelijke staat van zijn speelgoedcollectie. Hij zucht er nog wat bij om zijn statement kracht bij te zetten en staart naar zijn nog lege vel papier dat zijn verlanglijst moet voorstellen.  

Ik trek mijn wenkbrauwen omhoog en kijk verbaasd de huiskamer rond. Onze rustieke tegelvloer is vervangen door een kleurrijk tapijt dat is opgebouwd uit de bonte verzameling bouwsteentjes, puzzelstukjes, kleurpotloden, bouwplankjes, dinosauriërs, speelgoeddieren, knuffels, auto’s en poppen die mijn kinderen rijk zijn. 

We hebben het nu dus niet over een tekort aan speelgoed waardoor de classificatie erbarmelijk is uitgegeven. Hier helpen geen magische sloffen meer waaraan de Legoblokjes blijven plakken zonder de snijdende pijn die er door je voetzolen trekt wanneer de bouwblokjes jouw pad doorkruisen. Als je niet op een legoblokje staat, dan priemt er wel een puntige hoorn van een dino in je hak, verlies je de balans omdat je volgende minder perfect uitgekiende stap landt op een poppenhoofd, glij je uit over het dekentje van de nu gehavende nepbaby die een schedelbasisfractuur heeft opgelopen of blijft er hardnekkig een puzzelstuk onder je voet plakken die zelfs na herhaaldelijk schudden en schoppen geen afscheid van jouw ledemaat wil nemen. Wil ik mijn huiskamer oversteken om in de schijnveiligheid van de keuken te komen, waar het haast net zo’n oorlogsgebied is, dan blijkt ineens hoe lenig en acrobatisch ik in werkelijkheid ben. Het lukt mij al jaren om zonder al te veel verwondingen, kleerscheuren of botbreuken door ons huis heen te manoeuvreren. Er prijkt geen flikflak-oorkonde aan mijn muur dus indrukwekkend vind ik mijn vervoersoverlevingstrategieen inmiddels wel. Mijn beste overlevingsmechanisme is toch wel de schaatstactiek, waarbij ik als een soort ongetrainde, niet fitte Sven Kramer door het huis glij en alle tegemoetkomende speelgoedonderdelen aan de kant schuif zonder ze onder mijn loopvlak te laten eindigen. Zelf ben ik nogal fier op mijn ingenieuze verplaatsingsmethode. 

Nee, de uitspraak van mijn zoon kan niet over de hoeveelheid speelgoed gaan. Zelfs niet met zijn gevoel voor drama. 

Ook de staat van al dat speelgoed kan niet ten grondslag liggen aan deze uitspraak. Hier vindt je geen incomplete puzzels waar maar één stukje van mist, of wiebelende auto’s omdat de wielen op half elf hangen. Hier zijn geen uitgedroogde stiften zonder dop of kwasten met een klont opgedroogde plakkaatverf tussen de haren. Geen uitgeharde klei of ingedikte lijm. Geen kapotte legoblokjes, weer aan elkaar getapte bouwplankjes of missende stukken treinrails. Op een enkel ingedeukt poppenhoofd na, is overal zuinig mee omgesprongen. 

Maar ondanks dat ons huis soms net een ontplofte speelgoedwinkel lijkt waarbij alles op miraculeuze wijze de slopende handjes van mijn kinderen overleeft, kan ik hem geen ongelijk geven. Hij heeft niets meer om mee te spelen, helemaal niets meer. Tenminste, vanuit zijn optiek. Niet omdat het kapot is of omdat er niets voorhanden is maar omdat zijn interesse is veranderd. 

Hij bladert gedesillusioneerd door de speelgoedcatalogus en trekt de conclusie dat dat alles is wat ze verkopen. Ook daar staat het onderwerp van zijn nieuwe fascinatie niet in en hij laat de moed zakken. 

Maar de wereld is groter dan een speelgoedcatalogus. ‘Wat zoek je dan, dat je niet in dat boek kan vinden?’ vraag ik hem. Het is een overbodige vraag want ik weet het antwoord allang. Zijn wereld wordt niet langer door dino’s geregeerd. Draken hebben hun plaats ingenomen. Dat hebben ze heel stilletjes en geraffineerd gedaan. Op een dag bleek ik ernaast te zitten met al mijn antwoorden op zijn raadspelletje. Geen Tyrannosaurus, niet een triceratops maar een vuurspuwende draak was wat hij uitbeeldde. Ik zie, tot op de dag van vandaag nog maar weinig verschil tussen zijn impressies. Behalve dat hij nu af en toe blaast alsof hij een hese kat is die zich bedreigd voelt. Dan is hij aan het vuur spuwen blijkbaar. 

Een bezoekje aan de haast ouderwetse speelgoedwinkel heeft zijn probleem van een lege verlanglijst opgelost. Hij heeft er nu twee en beide staan bol van draken. Rode, gouden en zwarte draken. Kant en klare draken en draken die nog gebouwd moeten worden. Hij hoefde alleen maar te zoeken. 

En voor wie nog dieper in de materie duikt, vindt drakenspullen te kust en te keur. Drakenpakken, drakenencyclopedieën, drakenpuzzels en spelletjes met draken, er is meer dan genoeg. 

Hij zal tot december moeten wachten eer zijn collectie verrijkt is met draken. Tot die tijd moet hij graven in zijn creatieve brein. Ballonnen omtoveren in drakeneieren, nesten bouwen van zijn bed en theedoeken als vleugels.

Gendergemixt

Maar als hij die niet kan vinden, vindt je blauw dan ook mooi?’

‘Nee’

‘Of misschien rood?’

‘Nee, joze’

‘Ik denk dat ze niet in roze gemaakt worden hoor, schat. Heb geen andere kleur na roze, die je mooi vindt?’

‘Neehee, joze!’

Oké, duidelijk! Standvastig, tot op het bot. Dat is ze. Ik zou zelf ook geen genoegen nemen met iets wat ik niet wil. 

Ik heb haar de situatie geprobeerd uit te leggen, maar ze blijft bij haar standpunt. Snappen doet ze het best, maar volgens mij vat ze het meer op als discriminatie. Discriminatie op voorkeur voor kleur, want waarom worden ze in alle kleuren gemaakt behalve haar lievelingskleur roze?

‘Als je nu een jaartje wacht, dan kan Sinterklaas het misschien makkelijker vinden’. Ik stuur mijn pleidooi over een wat meer disputabele boeg die open staat voor discussie. Want wie weet hoe speelgoed er volgend jaar uit gaat zien nu er sprake is van genderneutraalheid onder ons speelgoed. Worden vrachtwagens dan roze? Wat in mijn ogen dan niet echt erg neutraal is, eerder gendergemixt. 

Of wordt roze en blauw dan juist gemeden als de pest? Wat mij dan meer neigt naar genderdiscriminatie. 

Mogen vrachtwagens dan ineens niet meer, of poppen? Of moeten jongens dan verplicht aan de poppen en meisjes aan de auto’s? Dat zou voor mijn dochter geen straf zijn, maar mijn zoon zou zijn hakken in het zand zetten. Niet dat hij niet met poppen wil spelen. Hij loopt regelmatig door het huis te rennen met de roze poppenwagen van zijn kleine zusje. Het dwingende achter de verplichting maakt dat hij zou weigeren. Uit principe zou hij dan zelfs zijn geliefde dino’s links laten liggen als hij zich geconfronteerd zou zien met een verplichting tot spelen met. 

Nee, gekheid natuurlijk, maar hoe ziet minister van Engelshoven dat genderneutraal speelgoed dan voor zich als het niet meer rolbevestigend mag zijn of als roze of blauw niet meer mogen? Ik neem aan dat als er een grote vraag was naar roze vrachtwagens, ik niet zou hoeven onderhandelen met mijn dochter over een eventuele andere kleur en er nu niet een geïmproviseerde mini spuiterij in de schuur zou zijn opgebouwd met een gedemonteerde autotransportvrachtwagen in de verschillende stadia van een kleurverandering. 

Resoluut gooit ze haar hoofd de andere kijkrichting op. Nee, ook een jaartje wachten krijg ik er niet doorheen en zo hoort het ook. 

Als je drie jaar oud bent, van alles met wielen en van roze houdt, dan moet alles gewoon in het roze. Dus ook de vrachtauto die je aan Sinterklaas vraagt. Want een driejarige kijkt niet naar gendergelijkheid of rolbevestiging. Die ziet een vrachtwagen op de snelweg rijden in haar favoriete kleur en wil die ook hebben. In haar favoriete kleur. 

Zij kijkt niet naar de jaarlijkse omzetcijfers op de verkoop van roze vrachtauto’s. En ook niet of ik dan plaatsvervangende schaamte zou voelen of niet als zij vol trots haar roze vrachtwagen aan iedereen laat zien. Ze kijkt niet naar andere meisjes die niets hebben met rijdende voertuigen. Of dat jongens niet van roze houden. Zij kijkt naar haar wensen. En boven aan dat lijstje staat: nou ja, je raadt het vast wel! 

En ze heeft een goed punt hoor. Waarom zijn er geen roze vrachtwagens te koop? Zijn er echt geen andere meisjes op de wereld die roze als lievelingskleur hebben en ook van vrachtwagens houden? Of houden ouders dit inderdaad massaal tegen om gezichtsverlies tegen te gaan? Moet er echt een wet komen die oproept tot genderneutraal speelgoed? 

Wat is er mis met een jongen die van blauw houdt en een meisje dat graag met popen speelt? Toch net zo min iets als meiden die van vrachtwagens houden of jongens die graag op balletles gaan? 

Ik schaar mezelf liever onder de noemer gendergemixt. Ik hou al sinds jaar en dag van blauw en wilde al van kleins af aan niets met bloementjesprints te maken hebben. En toch was ik ook een verstokt paardenmeisje. 

Mijn zoon kreeg een speelkeuken toen hij twee was en heeft puur per toeval een roze zwemtas. En mijn dochter houdt van auto’s en vrachtwagens. Samen met roze prinsessenjurken en eenhoorns. En af en toe loopt ze de huiskamer rond met haar roze poppenwagen waarin een Tyrannosaurus Rex vredig ligt te slapen. Gendergemixt, maar toch niet echt genderneutraal. 

Ik heb liever dat het dan maar optioneel gehouden moet worden, waarbij de desbetreffende vrachtwagen licht geschuurd en in de grondverf aangeleverd dient te worden met daarbij een link naar nog nader te bestellen verf in alle kleuren van de regenboog. Want nu is het een hele puzzel om zo’n speelgoedvrachtwagen vakkundig te demonteren, de blauwe verflaag te verwijderen en een manier te vinden waarop verf blijft zitten op een plastic ondergrond zonder dat hij afbladdert. Daar ben ik inmiddels wel achter. 

Ik heb er gelukkig wel doorheen gekregen dat het een miniatuur mag zijn, maar alleen omdat een lifesize formaat niet in ons huis past, dat ziet ze zelf ook wel in. 

Op de gevoelige plaat

Voor het eerst was dit een pijnlijk moment. En ik doe dit toch iedere dag. Een normale en alledaagse handeling die ineens heel beladen was geworden. 

Het was geen lichamelijke pijn of zo. Het was niet alsof ik met mijn handen door een doornstruik woelde toen ik mijn, met gel bedekte, handen door zijn haar haalde. Zijn haren waren zelfs heerlijk zacht omdat hij ze de avond ervoor nog had gewassen. Straks, als de gel hard was geworden, dan zouden de stekels weleens echt puntig kunnen zijn. 

Nee, dit was zielenpijn. Het had niets te maken met de handeling zelf, maar alles met de bedoeling achter de handeling. Nog nooit was dit namelijk om deze reden gebeurd. Ik heb nog nooit zijn haar netjes in de plooi gebracht voor de schoolfotograaf. Hij heeft nog nooit voor de schoolfotograaf voor de kast gestaan om zijn mooiste kleren uit te zoeken. Hij heeft nog nooit lang genoeg op school gezeten om op de schoolfoto’s te komen. 

De laatste en enige foto’s die buiten ons om zijn genomen waren die op de peuterspeelzaal. Het waren mooie foto’s. Maar alleen de portretfoto. Daar stond hij nog enigszins lachend op. De groepsfoto ligt ergens onder in een bewaardoos. Dat is een erg typerende foto en roept meer op dan ik wil voelen. Daarop staat hij een eindje van de groep af, er helemaal buiten. Een eenling, precies zoals hij zich voelde. Eenzaam temidden van de massa. 

Daarna kwamen de aanpassingen. Er kwamen schoolwissels. Er kwam hulp en hulp die niet hielp. Er kwamen oplossingen en oplossingen die de problemen verergerde. Er gebeurde veel, heel veel en allemaal niet foto-waardig. 

Na die eerste foto is er geen tweede meer gekomen. Niet op de peuterspeelzaal en niet op school. Waar een gemiddelde moeder nu 6 foto’s rijker is, misschien zelfs wel 7, heb ik er maar 1. Maar ik zal nooit evenveel schoolfoto’s verzamelen als mijn medemoeders. Wat dat betreft zal ik altijd achterlopen door een voorsprong. 

Maar vandaag maak ik een inhaalslag. Vandaag gaat hij voor het eerst sinds 3 jaar weer op de foto op school. 

Terwijl ik me eigenlijk bezig moet houden met het feit dat hij geen appelstroop op zijn blouse knoeit of tandpasta in zijn mondhoeken heeft zitten, wrijf ik mijn handen door zijn haar met maar één gedachte. Zal hij vandaag wel tussen de groep staan? Of houdt hij bewust ruimte tussen hem en de rest? Gaat hij achteraan staan in de hoop weg te kunnen duiken achter het kind voor hem? 

Iemand die hem niet kent denkt nu vast dat hij misschien er gewoon niet de jongen naar is om op de foto te willen. Maar ik ken hem wel en weet dat hier thuis de camera door hem niet geschuwd wordt. Zodra ik een foto van onze andere gezinsleden wil nemen, duikt zijn koppie erachter op om zich er zo ook tussen te wurmen. Om te laten zien dat hij er ook bij hoort. Zodra zijn zus iets doet wat ik wil vastleggen komt van hem de vraag: mag ik er ook bij op de foto? Dus nee, hij schuwt de camera niet. 

En vandaag? Is het vandaag belangrijk voor hem om erbij te willen horen of schuwt hij de camera? Dat is een antwoord waar ik reuze benieuwd naar ben. Is dit zijn plek, is dit zijn posse? Wil hij hierbij horen?

Het klinkt allemaal heel onnozel, onbenullig en futiel, maar eigenlijk is het de essentie van zijn problematiek. Als hij zich erbij vindt horen, dan pas zal hij zich laten zien om zich vervolgens gezien te voelen. Pas dan durft hij stappen te ondernemen om zich weer te gaan ontwikkelen. 

Ik lees de laatste dagen veel berichten van kinderen die ook niet op de juiste school zaten en nu op een nieuwe school beginnen. Ze komen vrolijk uit school en gaan er de volgende dag weer enthousiast naartoe want deze nieuwe school is beter voor hen dan de vorige. Maar bij ons gaat het anders. 

Hij gaat, en dat is al heel wat. Als ik hem stiekem door het raam heen in de klas zie zitten, doet hij leuk mee. En hij gaf zowaar schoorvoetend toe dat hij best wel naar school wilde maandag. Maar van enige ontwikkeling zie ik nog niets. Ik zie alleen nog maar een inhaalslag. Een inhaalslag om terug te krijgen wat hij kwijt is geraakt, als hij ooit alles terug krijgt wat hij is verloren. Hij vindt de boekenwurm weer in zichzelf en vindt het sociale dier in hem terug. De beschadiging vindt hij ook terug en wordt daardoor steeds zichtbaarder. Vanuit mijn ervaring met hem, zal ik nooit iemand zomaar adviseren om van school te wisselen. Wat voor heel veel kinderen werkt, werkt niet voor iedereen. Je kunt mensen nu eenmaal niet over één kam scheren. 

Het oordeel van de professionals die hem nu bijstaan werd voorzichtig gebracht: ‘hij heeft veel meegemaakt’ alsof deze waarheid nog meer schade brengt nu hij uitgesproken wordt. Maar als ik zo mijn handen door zijn haar haal, denk ik ‘wij ook’. 

Rotsvast

De ruimte om mij heen draaide hard rond. Wat een draaikolk leek kon me elk moment mee naar beneden sleuren. Het gekke was alleen, dat de grond nooit boven leek te komen en het plafond nooit onder mijn voeten terecht kwam. Als een langspeelplaat die steeds weer in de vorige groef terugviel en zich zo resette naar een gefixeerd punt in tijd. Ik bedacht me meteen dat de bedenker van de attractie Villa Volta een soortgelijke buiten-lichamelijke ervaring moest hebben gehad voorafgaande aan het bedenken van het ronddraaiende huis. Ik heb de attractie nooit erg gewaardeerd en nu ik eigenhandig in mijn privé-villa rondtolde steeg die waardering ook niet erg

Het leek haast wel een psychedelisch trip die de verkeerde kant op ging. Zo stel ik het me voor. Ik weet helemaal niet hoe een bad trip voelt. Ik heb me nog nooit gewaagd aan geestverruimende middelen. Ik vond mijn geest altijd al ruim genoeg. Maar nu voelde ik me als een hippie op Woodstock die een slechte partij LSD had genomen. Als je deze ervaring meteen al had bij het eerste gebruik van welke drug dan ook, weet ik zeker dat er niemand ooit verslaafd aan werd. 

Maar ik had niets genomen. Ik ben geen junk en ook geen eenmalig gebruiker. Het enige wat ik genuttigd had was een kop koffie en een boterham en beide heeft me nog nooit naar zulke sferen gebracht. 

Het begon al bij het opstaan. Toen was mijn wereld nog wel normaal, maar mijn dagelijkse wandeling liet ik achterwege. Op een of andere vage reden die ik zelf ook niet wist, had ik hier geen zin in. Nadat mijn man naar zijn werk was vertrokken begon het. Ik voelde me flauw en draaierig. Misschien gewoon een lage bloedsuikerspiegel of zo, dacht ik en ik besloot een boterham te eten. 

De langzame koolhydraten of wat het dan ook was wat mij energie moest geven, sloegen niet aan. In ieder geval niet voordat ik naar boven moest strompelen om mijn kinderen wakker te maken. Ik begon aan wat een eindeloze klim naar boven leek. Daar aangekomen begon alles alleen maar harder te tollen. Ik ging in mijn dochters slaapkamer op een stoel zitten in de hoop dat het huis stil ging staan. 

Mijn eigenwijze huis luisterde echter niet naar mijn verzoek. Ik stond op, wankelde twee stappen en liet me tegen de deurpost aan vallen. 

Er was serieus iets mis. Ik had een beroerte of een hartaanval of zo. Wat het ook was, het was mis. 

Mijn lichaam reageerde direct op al dat rondtollen terwijl mijn as gewoon stil bleef staan. Mijn huid voelde klam aan en uit alle poriën van mijn lijf gutste het zoute zweet. Ergens ver weg hoorde ik mijn dochter mopperen. Ze zat in een fashioncrisis en wist zich geen raad met de huidige inhoud van haar kledingkast. Juist op deze dwaze ochtend wist ze niet wat ze aan moest trekken. Waarom voelen kinderen altijd perfect aan wanneer ze eigenlijk beter een beetje meegaand kunnen zijn om dan vervolgens het tegengestelde te gaan doen? Het zal de spanning wel zijn. 

Ondertussen moest ik naar beneden zien te komen, naar mijn telefoon. Ik moest iemand zien te bereiken, wie dan ook. Ik stond boven aan het trapgat alsof ik Alice in wonderland was en op het punt stond om down the rabbit hole te gaan. Hoe ik het flikte om heelhuids beneden te komen weet ik niet, maar het was me gelukt. Ik belde het eerste nummer wat in mijn oproepenlijst stond, mijn man. 

‘Het gaat niet goed met mij, ik moet nu naar een dokter!’ mompelde ik zodra ik zijn stem hoorde. ‘Bel dan de huisartsenpost, ik kom naar huis’ hoorde ik in de verte. Ik was allang blij dat ik hem had weten te bellen. Ik zag alles draaien, de letters en cijfers op mijn beeldscherm hupten steeds weer naar een andere plek in mijn gezichtsveld. Op goed geluk wist ik het nummer van mijn moeder te vinden. Binnen een paar minuten stond ze bij me en belde de dokter. Intussen kwam mijn maaginhoud er weer uit. 

Gek genoeg knapte ik ervan op. Ik stuurde mijn moeder met mijn kinderen naar school en liep naar de dokter. Zoals altijd bij mij, ging het bij de dokter zelf alweer een stukje beter. Wanneer ik besluit naar de dokter te gaan, knap ik spontaan op. Maar dat duurde niet lang en voordat de dokter goed en wel zijn dag begonnen was, sloot hij bij mij al een beroerte, hartproblemen en een plotselinge aanval van hypoglykemie uit.  

Nee, niets van dat al, gelukkig. De draaiduizeligheid en het braken waren afkomstig van mijn altijd al dwarse evenwichtsorgaan, mijn vestibulair systeem. Het systeem wat ritten in een auto tot een hel had gemaakt, mijn hele jeugd door. Het hele systeem lag nu onder vuur. Een plotselinge aanval door krachten die voor iedereen nog onbekend zijn. Er was een storing in dat kleine orgaantje die mij nu, voor misschien nog wel uren, in mijn eigen Villa Volta liet rondtollen. Vestibulaire migraine noemde hij het. 

Natuurlijk! Als er migraine bijstaat, heb ik het! Klassieke migraine, hele erge migraine, menstruale migraine, aura migraine, oogmigraine en nu dus ook vestibulaire migraine. Misschien kan ik maar beter aan de geestverruimende middelen gaan. Dan kan ik zelf kiezen wanneer ik een bad trip heb. 

Trouwe viervoeter

Ze kwam op ons aflopen, een klein zwart stuiterend bolletje energie. Een dun touwtje om haar hals onderscheidde haar van de rest. 

“Dit is de enige nog die over is” en we keken neer op alle identieke zwarte bolletjes energie. Geen van alle kwam naar ons toe maar zij kwam keer op keer terug. “Dat is dan de onze” hoorde ik mijn stem zeggen. 

Iets langer dan een andere pup was ze bij haar moeder gebleven en alleen in het weekend ging ze even mee bij wijze van proef. Misschien was ze daarom zo’n bijzonder lieve hond, omdat ze nog even bij haar mama mocht blijven en heel voorzichtig aan haar nieuwe leven mocht wennen. 

Zodra we de sleutel staken in het slot van ons eerste eigen huis werd haar mand op een prominente plek in huis gelegd. Ze kon de hele onderverdieping overzien. Ze overzag heel ons leven vanaf die plek. 

Ze zag ons opgehaald worden om te trouwen. Ze zag ons moeizaam een weg ploeteren om ouders te worden. Ze zag honderden spuiten in mijn buik verdwijnen. Ze zag onze zoon thuiskomen uit het ziekenhuis en er een half jaar later weer in gaan. Ze zag mij door weeën heen worstelen. Ze zag onze dochter geboren worden. Ze zag geluk. Ze zag verdriet. Ze zag verjaardagen. Ze zag afscheid. En dat alles met twee tennisballen in haar bek. 

Hoe vaak heb ik niet gevloekt als zij de straat opliep terwijl ik juist naar binnen probeerde te komen? Hoe vaak heb ik haar niet geprobeerd tevergeefs tegen te houden als ze enthousiast op de kinderen afliep die uit school kwamen? Hoe vaak lag ik niet onder de bank naar haar bal te zoeken? Hoe vaak zat ik niet met de riem in de knoop omdat zij drie keer om de lantaarnpaal liep? Hoe vaak stond ik geen poep te ruimen? Hoe vaak liep ik niet door de regen? Hoe vaak was het veel te laat om nog naar buiten te gaan? 

Nu zal ik eraan moeten wennen dat dat niet meer hoeft. 

Dat we haar nooit meer kwijt zijn omdat ze met mijn even oude nichtje aan de wandel was, allebei twee jaar oud. Dat we haar niet meer kunnen roepen om de gevallen restjes van het eten op te ruimen. Dat ze niet meer door het ijs zakt met -20. Dat ze geen tennisballen meer kwijt is. Dat ze geen duik meer neemt in vies slootwater. Dat we geen Baco meer hoeven te roepen. Dat er niet meer geblaft wordt. 

Een paar dagen geleden liep ik samen met haar nog onze ronde over de dijk. De zon zien opkomen bij het ochtendgloren. De maan die de zon groet. De laatste sterren verjaagd door het licht. De mist die optrekt uit het gras. Haar poten nat van de dauw. 

Ik weet niet beter dan dat zij de deur openduwt met haar neus omdat ik hem te langzaam open. Omdat ze eruit wil, een rondje over de dijk. Gek, hoe je zoveel van zo’n beest kan houden. Gek, hoe zij zo’n groot deel is van je leven. Gek, dat je nu eigenlijk niet meer zonder kan. Gek, dat dat het eerste was waaraan ik het merkte vanmorgen. Geen snuit. 

Wel twee vermoeide ogen, die mij naar haar toe trokken. Ze bleef liggen bij haar plekje bij de voordeur. Dat is niets voor haar. Ze probeerde nog op te staan maar plofte lusteloos weer neer.

Al snel werd het duidelijk, de koek is op. Nog een laatste keer uitrekken en twee diepe zuchten die het leven loslieten. Na twaalf jaar geen dertiende verjaardag meer. 

Slaap lekker

03:45. De sterren staan hoog aan de hemel. Het zijn er een heleboel, zie ik met mijn slaperige ogen. Ze fonkelen helder in de gitzwarte duisternis van deze nacht. Ik zie ze nu liever niet maar doe op dit moment toch aan stargazing met mijn peuter. Ik bedenk me dat het laatst 50 jaar geleden was dat een mens voor het eerst voet op de maan zette. Ondertussen krijg ik een stuk taart in mijn handen geduwd. “Asebieft, voor jou!” klinkt het vrolijk naast me. “Sjokladetaat!” Ze is monter en druk in de weer, die peuter van mij. Als het niet zo donker was, zou ik haast denken dat het ergens tegen de middag liep. Maar we wonen niet nabij een of andere pool in een Scandinavisch land waar het een hele dag donker kan zijn. Dan zou het trouwens in dit jaargetijde ook gewoon licht moeten zijn. 

Nee, het is gewoon midden in de nacht en de rest van Nederland slaapt. Dat hebben wij ook geprobeerd maar het bleek tevergeefs. Ze is nu al uren wakker. Ik had haar al een paar keer terug naar bed gestuurd met daarbij een uitgebreide uitleg waarom we slapen middenin de nacht, waarbij de woorden van haar psycholoog nagalmen in mijn hoofd. ‘De hoogbegaafde aanpak van duidelijk en uitgebreid uitleggen waarom ze iets moet doen, werkt erg goed bij haar’ zei ze en doorgaans is dat ook zo. Meestal doet ze geen fluit voor iets dat niet binnen haar doelstelling ligt maar met een beetje lullen als brugman en inderdaad die duidelijke uitleg, wil ze nog weleens gratie verlenen en meegaan in jouw eisenpakket. Ze kleedt zich bijvoorbeeld niet aan als zij daar geen heil in ziet. Ook niet als je uitlegt dat we zo weg moeten en dat zij dan in pyjama mee moet. Ook niet als je uitlegt dat we aangekleed aan de ontbijttafel zitten. Ze gaat vrolijk mee in haar pyjama en honger heeft ze s’ morgens toch al niet. En ergens weggaan als het nog veel te leuk is staat ook nooit op haar agenda. Ze blijft rustig spelen in de wachtkamer van het ziekenhuis, ook als dat zonder ons is. Strongwilled noemen ze dat, geloof ik. Een eigen willetje, eigenwijs, tegendraads of onvermurwbaar zou je het ook kunnen noemen.

Toch gebeurt het zelden, deze taferelen. Meestal is ze aangekleed en ze is nog nooit ergens blijven plakken zonder ons. Ik praat me helemaal suf met mijn duidelijke uitleg waarom we kleren aandoen of niet alleen achterblijven in een ziekenhuis en gooi er mijn eigen sterke wil tegenaan. Dit keer baatte het echter allemaal niet en moest ik mijn meerdere erkennen. 

Ze had al opgewekt met haar grote broer een knikkerbaan opgebouwd op de overloop en dreigde nu weer hetzelfde te gaan doen. Ik heb haar maar bij ons in bed genomen. Dan slaapt er tenminste nog eentje in dit huis. Hoe andere ouders het voor elkaar krijgen om te cosleepen is mij een raadsel. Mijn zoon kan al niet bij ons slapen omdat het veel te gezellig is, zo bij papa en mama in bed. Mijn dochter is er niet veel beter in. Ze is een draaikont die niet stil kan zitten, of in dit geval kan liggen. Een continue stroom aan prikjes in je rug van kleine peuternagels houden ons alert. Ook het beruchte roze knuffelkonijn vliegt regelmatig door ons bed om op één van onze gezichten te landen. Dan weer een voet in je knieholtes of een vinger in je oog die checkt of ze wel echt dicht zijn. Nog even en we zijn gehavend voorbij het punt van herstel. Dan zijn we bont en blauw. Schouders uit de kom en gecompliceerde beenbreuken houden ons dan maandenlang in bed. Karma voor de boodschap blijf in je bed. 

Als dan, voor de zoveelste keer, haar blonde koppie recht overeind schiet en vrolijk begint te kwebbelen, ben ik er wel klaar mee. “Papa gaat een schuur voor je timmeren” hoor ik naast me. “JAA!” klinkt het antwoord in een veel te opgewekte meisjesstem. Volgens mij is papa er ook wel klaar mee. Wanneer ze vervolgens keihard ‘hallo’ begint te roepen in de waaier die wat koelte moet toewuiven in deze warme zomernacht, omdat het haar stem zo leuk vervormt, neem ik mijn besluit. Ik stap uit bed en ze trippelt snel achter mij aan. 

Een paar nachtvlinders fladderen op als ik het licht aanklik, opgeschrokken van zoveel licht tegelijk. Het stuurt hun biologische klok net zo in de war als het wakker zijn in het donker dat voor mij doet. 

De auto’s heeft ze al snel uitgestald op de salontafel en met boodschappenmandje en eenhoornportomonnee met valse muntjes gaat ze te veld voor boodschappen. Na een rondje om de bank te hebben gelopen, blijkt het toch een te grote opgave te zijn om midden in de nacht je fictieve boodschappen te doen, want ze komt met een leeg mandje terug. Ze bladert nu vrolijk kletsend door de dinoboeken van haar broer heen. Ik kan haar geen ongelijk geven. Overdag mag zij ze niet aanraken, als de dood is hij dat zij ze stuk scheurt. En daar kan ik hem dan weer geen ongelijk in geven. De boeken die op haar kamer stonden zijn allemaal gesneuveld in de veldslag die mijn dochter heet. Geen enkel boek kwam ongehavend door de nacht heen en velen hebben in gedeelten hun weg naar de papiercontainer gevonden. Radicaal scheurde ze er s’nachts hele hoofdstukken uit. De flapjesboeken die onze collectie rijk is, bezitten geen van allen meer een flapje. Ze houdt niet zo van verrassingen, geloof ik. 

Ze is sowieso een rauwdouwer. Niets blijft heel bij haar, bedenk ik me terwijl ze een kopje koffie voor mij zet met alleen nog maar het gedeelte dat de herrie imiteert van een echt cappuccino apparaat. “Cappisino mama?” en ik krijg een roze plastic kopje in mijn hand geduwd. “Voor mij ook één?” zegt ze er vragend achteraan en gaat met een ander speelgoedkopje in de weer. “Ja, pak er zelf ook een. Je moet toch wakker zien te blijven in deze kleine uurtjes” grap ik en ze lacht tot mijn verbazing hard mee om mijn sarcasme.  

Slaap lijkt ze op dit moment nog maar nauwelijks nodig te hebben. Een paar uurtjes maar, meer niet. Een slaapprobleem kan ik het nauwelijks noemen, tenzij je ermee mijn slaapprobleem aanduidt, want zij springt vrolijk rond en heeft totaal geen moeite met deze gang van zaken. Toch heeft ze wel slaap nodig en dat merk ik nu ze instort op de bank. 

Als baby was ze al vrij vlot door haar dutjes heen. Binnen een week naar haar geboorte pakte ze slapen al heel volwassen aan. Ze sliep gelijk door en overdag was ze klaarwakker. Veel beter dan haar broer, kon ze uitslapen. Maar dat lukt nu al een tijdje niet meer. Tel daar haar nachtelijke lees/scheurpartijen bij op en dan kom ik tot de conclusie dat ze minder slaapt dan ik. 

Ik besluit door te vragen naar haar slaapweigering. Ze kan maar moeilijk wennen aan haar nieuwe bed is de feedback. En dat is mijn dochter ten voeten uit. Ze geeft zich niet zomaar over aan verandering. Het duurde dagen voordat ze gewend was aan onze nieuwe auto en ik ben haar al een tijd aan het voorbereiden dat er ooit een nieuwe autostoel voor haar moet komen. Ze wordt er te groot voor, net als het bed. Ze lag erin gepropt en raakte met hoofd en voeten de bedeinden. Mijn zoon lag met anderhalf al in een groot bed, maar zij ligt met bijna drie jaar op de teller nog in haar babyledikant. De spijlen eruit gezaagd om haar een gevoel te geven van vrijheid. En dat beviel haar opperbest. Want alhoewel ze dolenthousiast haar eigen nieuwe bed heeft uitgekozen, blijkt slapen erin nog niet zo’n pretje te zijn. We hebben al veel geprobeerd maar zelfs spanbanden houden haar niet in dit bed. Hoe we dit bed een feest gaan krijgen, is mij nog niet duidelijk. Ik zou kunnen zeggen dat ik daar nog een nachtje op ga slapen, maar dat klinkt als een paradox. 

Misschien moeten we er ook geen feestje van maken. Ze prikt feilloos door ieder doordacht plan van ons heen. Sugarcoaten heeft bij haar geen zin. 

We moeten maar gewoon de tanden op elkaar houden en haar stug in haar bed blijven leggen als ze er s’nachts weer eens uit is geklommen. En als het bed dan te eng blijft, blijf ik wel op haar kamertje bij haar. Met een dekentje in de schommelstoel. 

4:45. Ik pak nog maar een kop koffie. Maar wel een echte dit keer. Ik leg een dekentje over haar heen nu ze op de bank in slaap is gevallen en pak mijn pen….

Bloeddorst


Zzzzzzzzzzz………….zzzzzzzzzzzz……..zzzzzzzzzz! 

Nee, je hoort niet het zachtjes gesnurk dat verraad dat ik slaap. Al zou mijn man anders beweren. Die noemt dat niet zachtjes.

Zzzzzzzzzzzzz…………..zzzzzzzzzzzz………..pats! 

Zzzzzzzzzzz………..zzzzzzzzz….Grrr! Weer mis. 

Ik hoor die mug keer op keer lachen om het feit dat ik toch steeds mezelf sla.

Ik hoop niet dat mijn man mij opgegeven heeft voor Bananasplit of een ander verborgencameragrappen-programma! Want dan ligt heel Nederland nu in een deuk over de vrouw die zichzelf steeds slaat terwijl er een opname van een zoemende mug te horen is. Ik vraag me serieus af hoe ze dan dat jeukende gebergte op mijn lijf voor elkaar hebben gebokst, want die oogt en voelt toch wel heel realistisch. Met jeukpoeder en een goede grimeur of zo?

Nee, dit is geen grap!

Zzzzzzzzzzz……………zzzzzzzzzzzzz.

Onze echtelijke slaapkamer heeft ongenodigde gasten. Nee, het zijn niet mijn kinderen. Buiten het feit dat zij altijd welkom zijn, liggen ze niet te slapen in ons bed. Er word vannacht duidelijk niet geslapen in ons bed. Tot ergernis van mijn man, knip ik steeds het licht aan en uit, als een soort discobal-lichtshow. Ik spring in en uit het bed en ik zwaai druk met mijn armen. We missen alleen de muziek. Maar geen zorgen, het stelletje onverlaten die zonder uitnodiging als een stel party crashers onze rust komen verstoren, verzorgen de maat waarop ik mijn individuele dans uitvoer.

Ik knip het licht weer aan om jacht te maken op de indringers. Gezien de bulten op mijn lijf moet het een heel leger Tamil-tijgermuggen zijn. Ik zie er echter geen één! De camouflage is goed op orde bij dit goed geoliede legertje. Na lang zoeken vind ik een verloren vliegenmepper half verscholen onder de kast. Met mijn wapen in de aanslag sta ik klaar om alles wat rondvliegt uit ons luchtruim te meppen. Er vliegt alleen niets.

Naast me hoor ik commentaar komen uit de bult dekens waar mijn man zich in verscholen heeft. “ Je moet het licht uitdoen, ze komen op licht af!”

Yeah right! Zodra ik het licht aandoe, verschuilen ze zich in allerlei hoeken en gaten in deze ruimte, hoeken en gaten die ik niet ken. Alsof ze weten dat ik ze wil elimineren. Zodra het licht uitgaat, hoor ik gezoem in mijn oren. Dan weet ik wel waar die krengen zich bevinden, namelijk bij mijn oor. Maar hoe moet ik in vredesnaam in het donker jacht maken op die nutteloze wezens?! Ik overweeg een nachtkijker te bestellen in een of andere darkwebspionagewinkel.

Na een vruchteloze muggensafari plof ik zuchtend neer in bed. Gedesillusioneerd knip ik het licht maar weer uit. 

Zzzzzzzzzz………..zzzzzzzzzzzz……..zzzzzzzzz! 

Fuck muggen! 

Veel te vroeg word ik een uurtje later gewekt. Door een krabbend blond mannetje. 

De eerste zonnestralen verlichten de slaapkamer en ik blijk over een zoon te beschikken die kennelijk vannacht alle bergtoppen van de Tour de France heeft beklommen. Hij draagt namelijk de bolletjestrui.

Later blijkt dat het leger tamil-tijgermuggen ook de slaapkamer van mijn dochter hebben bezocht. 

Ik bestudeer nauwkeurig de bultjes die het hele lijfje van mijn dochter bedekken. Het zijn er wel veel! Als het muggen waren, dan moet ze haast leeggezogen zijn. Dan moet ze nu slapjes over mijn armen hangen door het bloedverlies.

Ik hoop niet dat mijn zoon vandaag de briljante ingeving krijgt om met viltstift één van zijn, sinds kort, geliefde puntentekening op haar te maken. Connect the dots. 

Hij komt aanlopen met een boek over kruipende rotbeestjes die we vorige jaar gekocht hebben om hem over zijn angst voor wespen te helpen. Het moet juist illustreren waar al die kruipende kriebelbeestjes wel niet goed voor zijn. De mug zal er dus wel niet in vermeld staan. 

Maar niets blijkt minder waar te zijn want al snel komen we aan bij de mug! Ik wrijf in mijn handen want ik wil de schrijfster hier weleens over zien struikelen. Aan de tijdsaanduiding die boven het hoofdstuk vermeldt staat, maak ik op dat ook zij met een mepper in de aanslag op haar bed heeft gestaan alvorens dit stukje te schrijven. Al hoop ik voor haar dat zij geen man heeft die nutteloos advies de wereld in slingert terwijl hij zelf achter de vuurlinie blijft. 

Helaas kan ook zij geen pluspunt aan de mug gevonden krijgen. Er lijken alleen maar nadelen te kleven aan het wezentje. Het beestje leeft en de vrouwen zijn de uitzuigers van het hele volkje. Menig mensenman zal zich bij dat laatste aansluiten en ik hoor ze al toestemmend mompelen.

En toch is dat ook niet helemaal waar. Een gedegen zoektocht wijst wel meer uit. Ze voorzien niet alleen in voedselvoorziening voor insecteneters, hun kroost eet als larve ook de bacteriën uit ons water. Over het algemeen leeft de mug van nectar uit bloemen en dragen zo bij aan de pracht in onze wereld waarin de flora ons voorziet. Mijn gedachten dwalen vervolgens meteen weer af naar de Dracula-trekjes van de vrouwen van dit volk en zelfs daar halen we nuttige informatie uit. De medicijnen die wij hebben tegen bloedstollingsziekten zijn afgeleid van het goedje dat deze bloeddorstige vrouwen bij ons inspuiten nadat hun honger gestild is.

Terwijl de schrijfster, van het inmiddels waardeloze boek, er nog een positieve draai aan probeert te geven die ik dan weer niet gevonden kan krijgen, door te stellen dat een muggenbult best meevalt, zie ik mijn zoon met een scheef oog naar zijn met bultjes bedekte lijf kijken. Aan het eind van de zomer weet ik zeker dat hij ook braille kan lezen. 

Hij krabt nog eens terloops op wat plekjes en ik weet dat dit boek niet meer uit de kast komt. Zo’n uitspraak overleeft de kritische kijk van mijn zoon niet. Gebrekkige informatieverschaffing al evenmin. Geef hem eens ongelijk! 

Voordeel is wel dat we nog niet zijn toegekomen om over de spin te lezen. Daar zal ongetwijfeld benoemt worden dat die muggen eet. Zit ik straks met een terrarium tarantula’s opgescheept. 

https://youtu.be/2o8W8Jy-P7g